EHSAN JAMI: Oproepen tot de-escalatie door Europese leiders zijn laf en kortzichtig
In dit artikel:
Ehsan Jami — ex-moslim en promovendus bestuurskunde aan de Universiteit Leiden, van Iraanse afkomst — betoogt dat de militaire aanvallen van de Verenigde Staten en Israël afgelopen weekend een beslissende omslag hebben gebracht in de Iraanse kwestie. Waar Iran lange tijd interne erosie kende, zijn die interne spanningen nu versneld door externe interventie; dat maakt regimeontwrichting een reëler scenario en vereist herschikking van westerse strategieën.
Jami verwerpt de standaardoproep tot onmiddellijke de-escalatie als een ontwijkende reflex. Volgens hem doet die oproep alsof het Iraanse leiderschap een normale onderhandelingspartner is, terwijl het in werkelijkheid een ideologisch, op repressie en angst gestoeld machtsapparaat is dat zijn legitimiteit deels aan confrontatie ontleent. Hij wijst op grove repressie tegen demonstranten — volgens sommige schattingen tienduizenden doden in korte tijd — en stelt dat het verlangen naar kalmte zonder de structurele bron van geweld aan te pakken, neerkomt op het verlengen van onderdrukking.
De gezamenlijke militaire actie van Washington en Jeruzalem verandert volgens Jami het speelveld: militaire druk wordt expliciet verbonden aan de mogelijkheid van binnenlandse regimeverandering, en daarmee is het debat van louter sancties en diplomatie naar een discussie over structurele verandering verschoven. De recente verspreiding van geweld over vrijwel de hele Golf wijst volgens hem op een regionale herordening die de bestaande veiligheidsarchitectuur ondermijnt.
Voor Europa heeft dit verstrekkende implicaties. Neutraliteit en schadebeperking volstaan niet meer; in plaats daarvan zou Europa moeten overstappen op wat Jami “transitiedenken” noemt: actief scenario- en beleidswerk voorbereiden voor het moment van een mogelijk regimeval. Dat omvat planning voor bestuurlijke continuïteit, economische stabilisatie, veiligheidsarrangementen, energiezekerheid en het onderhouden van banden met Iraanse maatschappelijke en intellectuele netwerken binnen- en buitenslands. Hij waarschuwt voor machtsvacuums die anders snel door milities of proxy-actoren kunnen worden opgevuld, zoals eerdere voorbeelden in de regio laten zien.
Jami pleit verder voor flexibele toepassing van sancties, snelle erkenning en institutionele begeleiding in een overgangsfase — lessen die hij leent uit de Europese transities van 1989 — en voor consistentie in het verdedigen van vrijheid en rechtsstaat om geloofwaardigheid te behouden. Hij noemt Australië en Canada als voorbeelden van landen die al een duidelijkere, minder terughoudende lijn laten zien en suggereert dat Brussel vergelijkbare geopolitieke volwassenheid moet tonen.
Kort samengevat: de combinatie van interne onrust en externe militaire druk maakt regimeverandering in Iran aannemelijker en dwingt Europa tot strategische voorbereiding: niet enkel crisismanagement, maar een proactief plan voor transitie, veiligheid en institutionele ondersteuning om chaos en verdere destabilisatie te voorkomen.