Eeuwoude exemplaren leiden tot nieuw wetenschappelijk inzicht
In dit artikel:
7 februari 2026 — Op de negentiende verdieping van de collectietoren van Naturalis in Leiden ligt een wereld aan bewaarde natuur die wetenschappelijk onderzoek mogelijk maakt. In rijen stellingkasten staan duizenden glazen potten met reptielen, amfibieën en andere dieren die op sterk water bewaard zijn. Collectiebeheerder Esther Dondorp benadrukt dat onder die objecten type-exemplaren zitten: de officiële, blijvende referenties die nodig zijn om nieuwe soorten te beschrijven. Sommige zijn zelfs de laatste vertegenwoordigers van uitgestorven taxa, zoals de Kaapverdische reuzenskink die sinds 1912 niet meer in het wild is gezien.
De collectie is niet alleen een archief maar een actief onderzoeksinstrument. Jaarlijks maken honderden wetenschappers gebruik van de materialen in de toren. Voorbeelden van recent onderzoek tonen verschillende toepassingen: röntgen- en CT-scans van honderden baarsachtigen onthulden nieuwe anatomische kenmerken, en archiefgegevens lieten zien dat twee steursoorten duizenden jaren samen in dezelfde rivieren voorkwamen — een resultaat dat herintroductieprogramma’s kan bijstellen. Ook worden historische exemplaren steeds vaker gebruikt voor DNA-onderzoek, omdat hun genetische materiaal helpt bij het bepalen van soortgrenzen en evolutionaire relaties.
Bioloog Thijs van den Burg, die sinds 2015 Caribische leguanen bestudeert, gebruikte zulke natuurhistorische monsters voor een lopende discussie over de taxonomische status van de Sabaanse zwarte leguaan. De Sabaanse populatie werd in 2020 als aparte soort voorgesteld onder de naam Iguana melanoderma, onder meer vanwege de zwarte huid. Van den Burg wilde echter vergelijken met materiaal van het vasteland (Venezuela), maar politieke problemen maakten recente veldverzameling daar moeilijk. Gelukkig bevatten de collecties van Naturalis en het Smithsonian nog Venezolaanse exemplaren, sommige zelfs uit de jaren ’30, waarmee voldoende oud DNA beschikbaar was.
Analyse van dat historische DNA liet zien dat de zwarte leguanen op Saba niet genetisch uniek zijn maar binnen de grote variatie van Iguana iguana vallen. Concreet betekent dit dat de Sabaanse populatie vooralsnog niet als aparte soort erkend kan worden; het gaat om een zwarte variant van de wijdverspreide groene leguaan. Van den Burg en collega’s benadrukken dat betrouwbare taxonomische conclusies essentieel zijn om wereldwijde biodiversiteit correct in kaart te brengen en om bedreigde taxa effectief te monitoren en beschermen.
De casus illustreert twee bredere punten: de onmisbare waarde van goed beheerde natuurhistorische collecties voor moderne genetica en taxonomie, en het belang van oude, vaak moeilijk toegankelijke monsters om menselijk-ingebrachte verwarring in verspreidingsgegevens te vermijden. Naturalis’ toren fungeert zo als een tijdmachine en een referentielab tegelijk — een bron van empirische controle voor hedendaagse biodiversiteitswetenschap.