Eerst schreef Thomas Rosenboom over de verstoten zoon, later over kinderloze vaders. Nu over zijn eigen late vaderschap
In dit artikel:
Thomas Rosenboom, jarenlang geroemd om zijn zorgvuldige psychologische romans en monumentale historische romans, tekent in Late vader een onverwachte ommekeer: de schrijver die zijn carrière lang schreef over existentiële schaamte, beschadigde zonen en onvruchtbare vaders, beschrijft nu hoe het vaderschap op latere leeftijd hem uit een eenzame rol reddde.
Rosenbooms vroegste werk concentreerde zich op gekrenkte jeugdige zondaars. In De mensen thuis (1983) portretteerde hij het innerlijk leed van Timon, een kind dat telkens publiekelijk vernederd wordt. Zijn eerste roman Vriend van verdienste (1985) verwerkte de Baarnse moordzaak van 1960 tot een studie van groepsdwang, schuldigheidsgevoel en zelfvernietiging; daarin is schaamte bijna een religieuze drijfveer. Die obsessie met vernedering en boetedoening loopt als een rode draad door zijn vroegste verhalen en romans.
In de jaren negentig zette Rosenboom een stilistische omslag: met het omvangrijke Gewassen vlees (1994) stelde hij zich als virtuoos stilist en plotbouwer in dienst van de historische roman en verlegde hij de psychologische focus van kinderen naar ingewikkelde vader-zoonrelaties. Die verschuiving bleef in latere werken dominant: Publieke werken (1999) — een publieks- en criticiensucces dat in 2015 verfilmd werd — en romans als Zoete mond (2009) en De rode loper (2012) onderzoeken mannen die door kinderloosheid, verlies of ambitie moreel en emotioneel zijn uitgehold. Rosenboom verdiende met zijn historische en familiaire epossen twee keer de Libris Literatuurprijs en kreeg veel lof van collega-schrijvers.
Toch ging zijn schrijverschap niet zonder prijs. Rosenboom raakte na Publieke werken uitgeput, kondigde aan te stoppen met romans en werkte lange tijd zwijgend. In een onderzoekend interview door Carolina Lo Galbo (2012) kwam een vereenzaamde figuur naar voren: een man die succes had, maar het gevoel had een ander leven gemist te hebben — een leven met vrouw en kinderen — en die in zijn werk vaak zijn eigen verwrongen vader-zoonervaringen herkende. Hij vertelde dat hij soms dacht dat, zonder succes als schrijver, hij een heel ander en waarschijnlijk gelukkiger bestaan zou hebben geleid.
De breuk volgde deels herstel: Rosenboom brak zijn stilte met een klein wandelboekje, De grote ronde (2020), en uiteindelijk met Late vader, zijn omvangrijke egodocument waarin zijn relatie en het onverwachte vaderschap centraal staan. De verhouding begon naar eigen zeggen op een promotiefeest in 2015 met een veel jongere Vlaamse filmwetenschapper; in de coronaperiode verdiepten ze zich in elkaar en vormden later een gezin. Rosenboom werd op zijn 67ste vader van een dochter, Anne.
Late vader leest minder als traditionele autobiografie vol reflectieve essays en meer als verhalende, vaak alledaagse reportages over het dagelijks leven met een jonge baby: langdurige beschrijvingen van draagzakwandelingen, speelsessies, opvangperikelen en de ongeschminkte banaliteit van de zorg. Dat kan lezers die zijn literaire grootheden kennen teleurstellen, maar de aandacht voor het kleine gezin laat tegelijk zien wat Rosenboom gehoopt had te vinden: verbondenheid, praktische nabijheid en emotionele rust. Pas in het slothoofdstuk erkent hij expliciet de transformatie: het vaderschap heeft zijn isolatie verbroken en hem een andere levensrichting gegeven. Hij omschrijft zijn nieuwe rol heel concreet — hij doet het huishouden en probeert zoveel mogelijk voor zijn dochter te doen — en zegt voorlopig geen nieuwe roman te plannen.
De tonaliteit van Late vader is daardoor opvallend bevrijdend: waar Rosenbooms fictie vaak de schaamte en zelfveroordeling als onoplosbare lotgevallen afbeeldde, leest zijn autobiografische verslag als getuigenis dat zulke veroordelingen kunnen worden afgezwakt door menselijke nabijheid. Interessant is dat Rosenboom niet radicale breuk met de kerk zoekt; hij heeft zijn dochter laten dopen, waarmee hij laat zien dat het religieuze kader niet per se zijn genezing in de weg stond.
Voor wie Rosenbooms oeuvre kent is Late vader niet zozeer een literaire climax maar een existentiële ontknoping. Het boek illustreert de blijvende thema's van zijn werk — schuld, familie, falen — maar voegt er een persoonlijke rehabilitatie aan toe: de schrijver die ooit schreef over ongemakkelijke, gestrafte personages toont dat hij zelf uiteindelijke verzachting vond in een menselijke relatie en het dagelijks ouderschap. Kritiek op het gebrek aan diep filosofische reflectie wordt gecompenseerd door de eerlijkheid en het plezier waarmee Rosenboom de nieuwe rol omarmt.