Eenheid kerken pas duurzaam als allen terugkeren naar de Bron

donderdag, 26 februari 2026 (14:07) - Reformatorisch Dagblad

In dit artikel:

De kerkelijke verdeeldheid binnen de gereformeerde gezindte heeft diepere wortels dan organisatorische verschillen: ze manifesteert zich in gezinnen, op scholen, in gemeenten en in het interkerkelijk gesprek. De auteur, emeritus-predikant van de Nederlandse Gereformeerde Kerken (ngk) te Almkerk‑Werkendam, traceert een patroon van verschuivingen sinds 1816 dat steeds opnieuw tot nieuwe breuklijnen leidde omdat men steeds minder vanzelfsprekend onder hetzelfde Woord leeft.

Het keerpunt begon in 1816 met het Algemeen Reglement, waardoor de binding aan de belijdenis verschoof van “omdat zij met de Schrift overeenstemt” naar “voor zover wij haar met de Schrift in overeenstemming achten”. Daardoor trad het menselijk oordeel nadrukkelijker op de voorgrond; waarheid werd iets wat de kerk hanteert in plaats van iets waaronder zij zich laat aanspreken. Dat opende ruimte voor uiteenlopende reacties: enerzijds vrijzinnige tendensen, anderzijds confessioneel bekrompen kerkelijk beleid.

Gedurende de 19e en 20e eeuw leidde dit tot tal van scheuringen en hergroeperingen: de samenvoeging van Christelijke Gereformeerde Kerk en Nederduits Gereformeerde Kerken in 1892 met afvallers die de CGK bleven vormen; de breuk van 1944 binnen de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN) rond de doopopvatting die de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKV) deed ontstaan; later interne verschuivingen in de GKN (met groeiende nadruk op persoonlijke beleving) die mede leidden tot toenadering tot de Hervormde Kerk en uiteindelijk de vorming van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) in 2004. Aan de andere kant leidde de nasleep van de GKV‑breuk van 1967 tot de Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK) en recent (2023) tot fusiebewegingen binnen die kring. Deze ontwikkelingen tonen twee terugkerende problemen: aan de ene kant het opleggen van bindende uitleg die gewetens in de knel brengt; aan de andere kant het vervagen van richtinggevende belijdenis door nadruk op persoonlijke ervaring en maatschappelijke moraal.

De schrijver waarschuwt dat geen enkele flank van het kerkelijk spectrum immuun is: waar het belijden te strikt wordt geïnterpreteerd, wordt de genade beknot; waar belijden vervaagt, dreigt de waarheid te verdampen. Beide uitkomsten ondermijnen het gezamenlijke “buigen onder het Woord” dat volgens hem cruciaal is voor duurzame eenheid. Recent voorzichtig positief nieuws over toenadering tussen Gereformeerde Gemeenten en Gereformeerde Gemeenten in Nederland rond het onvoorwaardelijke aanbod van genade illustreert dat herbezinning vrucht kan dragen, maar echte eenheid vereist meer dan het oplossen van één twistpunt.

Als weg vooruit pleit de auteur voor nederigheid van het verstand en gezamenlijke terugkeer naar de Schrift en de belijdenissen: gelovig aanvaarden van onderscheidingen als Wet en Evangelie, gebod en belofte, en het centraal stellen van Christus zoals de Heidelbergse Catechismus en de Nederlandse Geloofsbelijdenis dat doen. Alleen wanneer de Kerk zich als gemeenschap van zondaren die vergeving ontvingen herkent en gezamenlijk onder het Woord terugkeert, kan waarheid verbinden in plaats van te verdelen.