Een Taghi-insider heeft in Marokko verklaard over de moord op Peter R. de Vries. Is het feitenrelaas over die liquidatie nu aan te vullen?
In dit artikel:
Het Openbaar Ministerie stelde bij de strafeis in 2024 dat de moord op misdaadjournalist Peter R. de Vries (juli 2021) bedoeld was om angst te zaaien; De Vries was op dat moment raadsman van kroongetuige Nabil B. en het derde dodelijke slachtoffer uit diens kring. Hoewel Ridouan Taghi in de lopende zaak tegen de organisatoren en uitvoerders formeel niet als verdachte is aangemerkt, viel zijn naam tijdens de zittingsdag herhaaldelijk. Tot nu toe ontbrak echter concreet bewijs dat Taghi als opdrachtgever kan aanwijzen.
Nieuwe publicaties in AD en Het Parool melden dat een man uit de harde kern van Taghi’s netwerk, de Marokko‑geboren Nederlander Ismail M., afgelopen najaar in Marokko is aangehouden op verdenking van drugshandel en sindsdien verklaringen heeft afgelegd. Volgens die verklaringen heeft Ismail de neef van Taghi, Jaouad F., aangewezen als opdrachtgever van de moord op De Vries. Ismail en familieleden van hem staan al jaren in verband met hetzelfde criminele netwerk rond Taghi; hun besluit om wél te verklaren is daarmee uitzonderlijk in een milieu waarin doorgaans het zwijgen wordt bewaard. In het milieu circuleren ook geruchten dat verklaringen onder dwang tot stand zijn gekomen.
De aanwijzing van Jaouad F. sluit aan op eerder verzameld bewijs. In de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) in Vught, waar Taghi vastzit, legde politie met geluids‑ en beeldopnamen vast dat Taghi via zijn advocaat en via neef Youssef met de buitenwereld communiceerde. Een deel van die boodschappen was bedoeld voor iemand met de bijnaam ‘Jim’ of ‘Bolle’, die volgens rechercheurs Jaouad F. betreft. Het vastgelegde berichtenverkeer toont een commandostructuur: Taghi geeft via Youssef instructies aan Jaouad F., die op zijn beurt tussenpersonen aanstuurt. Die constructie past bij de rol van de Pool Krystian M., die door justitie is gezien als aanstuurder van de uitvoerders van de aanslag op De Vries en daarvoor tot ruim 26 jaar is veroordeeld.
Een complicerende factor blijft dat de EBI‑opnamen vooral dateren van na de moord; vaststaat niet volledig wat vóór de aanslag is gecommuniceerd. Het is dus nog onzeker of Ismails verklaringen het gat in het feitenrelaas dichten en of ze voldoende rechtsgeldig bewijs opleveren voor een nieuwe strafzaak in Nederland. Ook formele en diplomatieke obstakels spelen mee: Marokko levert doorgaans zijn onderdanen niet uit en het Nederlandse Openbaar Ministerie houdt zich op dit moment op de vlakte over vervolgstappen. De ontwikkelingen betekenen desalniettemin een potentiële versterking van het beeld dat de moord deel uitmaakte van een gecoördineerde opdracht vanuit Taghi’s kring.