Een spelletje monopoly heeft raakvlakken met de echte wereld
In dit artikel:
Een potje Monopoly kan laten zien hoe mensen omgaan met macht, risico en geld, maar het bewijst niet zonder meer dat rijkdom mensen slechter maakt. Sociaal psycholoog Paul Piff onderzocht dat aan het begin van deze eeuw in een experiment met honderden proefpersonen. Door een muntje werd bepaald wie de rijke en wie de arme speler was. De rijke speler kreeg onder meer twee keer zoveel startgeld, mocht met twee dobbelstenen gooien en ontving een hogere beloning bij het passeren van Start. De arme speler had daardoor nauwelijks een reële kans om te winnen.
Piff zag dat de bevoordeelde spelers zich al snel dominanter opstelden. Ze kochten veel straten, gedroegen zich minder sportief en schreven hun voorspelbare overwinning toe aan eigen strategie en vaardigheid, niet aan de gemanipuleerde spelregels. In zijn bredere onderzoeksprogramma concludeerde Piff dat vermogende mensen gemiddeld minder meelevend zijn, vaker het eigenbelang vooropstellen, eerder liegen of regels overtreden en hebzucht sneller goedpraten. Zijn stelling luidde daarom dat geld mensen gemener maakt.
De geschiedenis van Monopoly is ironisch. Elizabeth Magie bedacht in 1903 The Landlord’s Game om de ideeën van econoom Henry George uit te leggen. Die was kritisch op particulier grondbezit en vond dat land en belangrijke voorzieningen in handen van de overheid moesten zijn. Tijdens de Grote Depressie paste werkloze verkoper C.B. Darrow het spel aan met nieuwe regels en een nieuw bord. Parker Brothers kocht de rechten, waarna Monopoly uitgroeide tot een kapitalistische kaskraker. Wereldwijd zijn inmiddels meer dan 200 miljoen exemplaren verkocht.
Bram van Orten, voormalig Nederlands kampioen en zoon van wereldkampioen Joost van Orten, herkent aan de speeltafel vooral bestaande karaktertrekken. Risicomijdende mensen spelen doorgaans voorzichtiger, terwijl avontuurlijke spelers vaker risico’s nemen. Volgens hem maakt geld mensen niet per se anders; vooral een tekort aan geld kan grote invloed hebben en zichtbaar maken hoe iemand werkelijk is. Monopoly is volgens Van Orten kapitalisme in bordspelvorm, omdat spelers zichzelf verrijken ten koste van anderen, maar gedrag in het spel zegt niet automatisch of iemand in het echte leven verstandig of moreel met geld omgaat. Een investering kan bijvoorbeeld zowel verstandig als een vorm van gokken worden genoemd, afhankelijk van de uitkomst en het perspectief.
Ook Johan Graafland, hoogleraar filosofie van de economie aan Tilburg University, waarschuwt voor te stellige conclusies. Monopoly kan kinderen leren nadenken over strategie, investeringen en de gevolgen van financiële keuzes, maar dobbelstenen en de zichzelf versterkende voorsprong van een rijke speler bepalen een groot deel van het spel. Karakter en opvoeding beïnvloeden volgens hem hoe mensen daarmee omgaan. Onderzoek naar de relatie tussen inkomen en eerlijkheid is bovendien moeilijk te interpreteren: het is niet duidelijk of rijkdom mensen asocialer maakt, of dat minder sociale mensen juist vaker rijk worden. Andere gegevens wijzen er zelfs op dat mensen met hogere inkomens meer tijd besteden aan vrijwilligerswerk.
Graafland erkent wel dat rijkdom zelfvertrouwen kan versterken. Wie financiële keuzes herhaaldelijk succesvol ziet uitpakken, kan dat succes volledig aan zichzelf toeschrijven en vergeten hoeveel geluk of omstandigheden hebben meegespeeld. Dat gebeurde volgens hem in Piffs experiment. Rijkdom zou daarom niet alleen een voorrecht, maar ook een verantwoordelijkheid moeten zijn: wie genoeg heeft, zou dankbaar, vrijgevig en zorgzaam moeten leven en moeten bijdragen aan rechtvaardigheid. Van Orten probeert die gedachte in praktijk te brengen door eerlijk te spelen. Als een tegenstander vergeet huur te vragen, wijst hij die daarop. Oneerlijk winnen, vindt hij, is uiteindelijk vooral jezelf voor de gek houden.
Vandaag Inside: Joey Veerman prijst kwaliteit Oranje-international: 'Hij is daar de allerbeste in'