Een rondgang langs 60 jaar graffiti in Den Haag: 'Geef kunstenaars de ruimte om de publieke ruimte op te fleuren'

woensdag, 20 augustus 2025 (08:27) - De Volkskrant

In dit artikel:

Marc Kersten (51) reconstrueert in zijn boek Den Haag graffiti – De pioniersjaren van Nederland hoe de stad vanaf de jaren zestig tot ver in de jaren tachtig getekend werd door geschreven namen, politieke leuzen en kleurrijke murals. Als voormalige schrijver en hedendaags streetartkunstenaar leidt hij de lezer (en de Volkskrant) langs overgebleven tags en pieces in wijken als Leyenburg, Duinoord, Segbroek en langs locaties net buiten de stad, om te laten zien hoe graffiti de sociale en culturele geschiedenis van Den Haag weerspiegelt.

De oorsprong ligt deels bij lokale jeugdbendes uit de jaren zestig — namen als Plu, Kikkers en Newton Boys markeerden territoria en lieten hun sporen achter op muren — en deels bij de popcultuur: de Haagse muziekscene (Q65, Golden Earrings) maakte dat bandnamen en jaartallen in het straatbeeld verschenen. In de jaren zeventig waren ook protestbewegingen zichtbaar op de muren: feminisme, antikernwapenleuzen als “Ban de bom” en andere maatschappelijke thema’s werden zo publiekelijk geëtaleerd.

Met de jaren tachtig kwam een omslag: beïnvloed door Amerikaanse films als Wild Style en Beat Street en de opkomst van hiphop ontstond de New York-stijl in Den Haag — grote, dynamische letters en kleurrijke pieces die zicht op drukke locaties zochten. Die periode leverde volgens Kersten een explosie aan creativiteit op, maar ook aan conflict: graffiti werd door veel buitenstaanders als vandalisme gezien en schrijvers riskeerden straf of confrontaties. Tegelijk was taggen voor veel jongeren een manier van zelfverwezenlijking: hun naam in de openbare ruimte gaf erkenning en een gevoel van eigenaarschap over de buurt.

Kersten legt in zijn boek veel van die verhalen vast met foto’s en interviews van de eerste generatie schrijvers. Hij behandelt concrete voorbeelden: een vergrijsde Plu-tag in een steeg als zeldzaam restant van bendegeschiedenis; een verbleekte Q65-schrijfcodering in Rijswijk als popcultuurerfenis; een weggeschuurde “Ban de bom”-leus in Duinoord die aantoont hoe makkelijk historische uitingen verloren gaan; en een New York-stijl piece bij de Monstersestraat die laat zien hoe schrijvers hun werk op A-locaties positioneerden.

Kersten reflecteert ook op de veranderende houding ten opzichte van graffiti. Waar vroeger het woord zelf negatief beladen was, is er nu meer erkenning: gemeenten en ondernemers huren artiesten in, legale muren verschijnen, en er is een nieuwe generatie — vaak kunstacademisch gevormd en met meer vrouwelijke makers — die het kader van straatkunst opzoekt. Kersten maakt daarbij het onderscheid tussen graffiti, dat hij ziet als iets voor jezelf, en streetart, dat je meer voor de buurt maakt. Hij pleit voor ambitieuzer gemeentelijk beleid: geef artiesten ruimte om saaie publieke vlakken op te fleuren en behoud erfgoedwaarde vóórdat historische werken verdwijnen.

Het boek en de rondleiding illustreren dat graffiti in Den Haag méér is dan esthetische daad; het is een visuele kroniek van sociale spanningen, muziekcultuur, politieke protesten en identiteitsvorming. Sommige werken zijn verdwenen, andere blijven verborgen en vertellen nog altijd verhalen van jeugd, territorialiteit en vernieuwing. Kersten ziet in die sporen een rijke stadsgeschiedenis die volgens hem behouden en beter gewaardeerd zou moeten worden.