Een revolutie zonder einde: hoe 1979 het Iran van vandaag nog steeds bepaalt

zondag, 11 januari 2026 (16:06) - Dagelijkse Standaard

In dit artikel:

Iran is een groot land met een sterke nationale identiteit en een bewust complexe machtsstructuur. De recente protesten eind 2025–begin 2026 zijn geen abrupt verschijnsel, maar passen in een keten van conflicten tussen moderniseringsdrang, religieuze tradities, buitenlandse inmenging en een bevolking die herhaaldelijk verzet toont — een proces dat meer dan een eeuw teruggaat.

Belangrijke keerpunten: de Constitutionele Revolutie (1905–1911) probeerde absolute macht te beperken; in 1921 hielp Britse steun Reza Shah aan de macht; in 1953 werd premier Mohammad Mosaddegh afgezet na een door de VS en het VK gesteunde coup, wat bij veel Iraniërs blijvend wantrouwen tegen westerse inmenging creëerde. Onder Mohammad Reza Pahlavi groeide economie en onderwijs, vrouwen kregen meer rechten en er werd westerse cultuur bevorderd, maar politieke vrijheden bleven beperkt. De Sjahs snelle moderniseringsprogramma’s (de Witte Revolutie) ontwrichtten traditionele lagen en vergrootten ongelijkheid, wat bijdroeg aan de brede coalitie die in 1978–1979 de monarchie omverwierp.

De revolutie van 1979 bracht diverse groepen samen, maar mondde uit in een theocratisch staatsbestel toen de geestelijke elite, onder leiding van Ayatollah Khomeini, de politieke macht consolideerde. Sindsdien functioneert Iran formeel als republiek, maar de Opperste Leider, de Revolutionaire Garde en het veiligheidsapparaat hebben de doorslaggevende macht; gekozen ambtsdragers, zoals de in 2024 gekozen president Masoud Pezeshkian, hebben beperkte speelruimte op cruciale terreinen.

Protestgolven keren decennialang terug: 2009 (omstreden verkiezingen), 2019 (brandstofprijsprotesten) en 2022 (na de dood van Mahsa Amini), waarbij vooral die laatste beweging vrouwen prominent naar de voorgrond bracht en leuzen als ‘Vrouw, Leven, Vrijheid’ een breed draagvlak vonden. De staat reageert steevast met harde repressie, massale arrestaties en soms executies; tegelijk ontstaan nieuwe generaties die weten dat zwijgen ook geen oplossing biedt — een dynamiek die de huidige onrust hardnekkig maakt.

De aanloop naar de recente opstanden was vooral economisch: inflatie en scherpe prijsstijgingen troffen winkeliers, arbeiders en de middenklasse, waarna economische onvrede snel in politieke woede overging. De regering antwoordde met internet- en telefoonblokkades, zwaar politieoptreden en het framen van protesten als buitenlandse sabotage. Buitenlandse stemmen — zoals politieke oproepen vanuit ballingschap en uitspraken van buitenlandse leiders — geven demonstranten morele steun maar versterken tegelijk het regime‑narratief van buitenlandse inmenging.

Een cruciaal verschil met 1979 is het gebrek aan een enkele, charismatische leider die de onvrede zou kunnen bundelen; zonder zo’n figuur blijft de beweging richtingloos en moeilijk effectief in het omverwerpen van het huidige systeem. De recente golf is dus geen begin- of eindpunt, maar een volgende episode in een lange strijd over macht, legitimiteit en toekomst van Iran. Wie het land wil begrijpen, moet rekening houden met die historische opeenstapeling: verandering komt zelden snel en gebeurt bijna nooit zonder grote risico’s.