Een paar vragen bij het werk van prof.dr. Trudy Dehue, Zomergast - Woord op Zondag

zondag, 1 november 2026 (06:15) - Nijmans Nieuwsbriefje

In dit artikel:

De auteur, die onderzoek doet naar de verhouding tussen kerk en staat in het negentiende-eeuwse Zeeuws-Vlaanderen, stuitte in het Nationaal Archief op een dossier uit 1834 over pastoor De Maeijer uit Groenendijk. Daarin staat dat een hoogzwangere vrouw plotseling overleed en dat de pastoor, nadat een vroedmeester niet wilde komen, probeerde het kind uit het lichaam te halen zodat het nog kon worden gedoopt. Het ging om een postume keizersnede, niet om een operatie bij een levende vrouw.

De vondst kreeg voor de auteur nieuwe betekenis nadat psycholoog en emeritus hoogleraar Trudy Dehue in haar boek *Ei, Foetus, Baby* en in interviews stelde dat katholieke geestelijken geregeld levende vrouwen opensneden om ongeboren kinderen te dopen. Trouw en De Groene Amsterdammer namen die beweringen volgens de auteur grotendeels over, terwijl het Historisch Nieuwsblad kritischer reageerde. De auteur betwist vooral Dehues gebruik van een Limburgs ooggetuigenverslag: dat zou afkomstig zijn uit een satirisch wraakpamflet tegen een pastoor en daarom geen betrouwbare historische bron vormen.

Volgens de auteur bevatten Dehues boek en bronnenapparaat talrijke fouten, waaronder verkeerd geïdentificeerde bronnen, onjuiste jaartallen, verdraaide citaten en mislukte vertalingen uit het Latijn. Ook zou zij kerkelijke morele regels verkeerd interpreteren. De auteur stelt dat katholieke moraaltheologen het opofferen van één levend mens voor het redden van een ander juist verboden en dat priesters geen operaties op levende vrouwen mochten uitvoeren. De centrale bewering over een grootschalige kerkelijke praktijk noemt hij daarom historisch onhoudbaar.

Postume keizersneden kwamen volgens de auteur wel degelijk voor. In Nederland zijn tussen 1815 en 1870 ongeveer acht of negen gedocumenteerde gevallen bekend, waarbij meerdere zaken uit Zeeuws-Vlaanderen afkomstig zijn. De handeling werd doorgaans niet geheimgehouden, maar wel discreet behandeld en vastgelegd in kerkelijke correspondentie, pastoriejournaals en overheidsdossiers. De auteur benadrukt dat de praktijk binnen de kerk niet onomstreden was: sommige theologen raadden haar al in de vroege negentiende eeuw af.

Voor het relatief grote aantal Zeeuws-Vlaamse gevallen vermoedt de auteur regionale oorzaken. De streek was arm, dichtbevolkt, vrijwel volledig katholiek en vatbaar voor epidemieën. Er werkten veel Belgische priesters en er was een protestantse vroedmeester met beperkte medische kennis, met wie geregeld conflicten zouden zijn geweest. De zaak rond De Maeijer kan volgens de auteur daarom behalve een medische ook een politieke of bestuurlijke kwestie zijn geweest, gezien de gespannen verhouding tussen kerkelijke en Nederlandse overheidsgrenzen in de regio.

Hij wil de zaak verder onderzoeken aan de hand van archiefstukken over De Maeijer, diens voorganger Vael, de vroedmeester, de districtscommissaris in Hulst en de medische toezichthouders. Daarbij waarschuwt hij dat archieven onvolledig zijn en dat documenten altijd moeten worden gelezen in het licht van hun maker, doel en context.

Tot slot beschrijft de auteur hoe hij kunstmatige intelligentie inzet om Dehues publicaties systematisch op bronfouten te controleren. Met een automatisch controlesysteem wil hij nieuwe beweringen signaleren en sneller documenteren waar volgens hem bronnen verkeerd worden weergegeven. Zijn bredere punt is dat media, wetenschappelijke reputaties en prijzen geen garantie voor juistheid bieden. Historische claims moeten volgens hem zelfstandig en grondig worden gecontroleerd, al erkent hij dat het weerleggen van een grote hoeveelheid mogelijke fouten veel meer tijd kost dan het produceren ervan.

BEKIJK OOK:

Vandaag Inside: Johan Derksen tegen Merel Ek: 'Ik heb een probleem wat mij helemaal niet aanstaat...'