Eén op de twintig bedrijven verplaatste banen naar het buitenland
In dit artikel:
Tussen 2021 en 2023 verplaatste ruim 5% van de middelgrote en grote Nederlandse bedrijven een deel van hun activiteiten naar het buitenland, zo blijkt uit een CBS-enquête onder ondernemingen met minimaal 50 medewerkers in nijverheid, energie en commerciële dienstverlening. Dat komt neer op ongeveer één op de twintig bedrijven; daarnaast overwoog bijna 2% (ongeveer 200 bedrijven) verplaatsing zonder die stap daadwerkelijk te zetten. Volledige emigratie van bedrijven is niet meegenomen; het gaat meestal om specifieke onderdelen van de organisatie, niet om de hele onderneming.
De belangrijkste drijfveren zijn kostenbesparing—vooral lagere loonkosten—en strategische keuzes van het moederbedrijf. Ook het structurele tekort aan geschikt personeel in Nederland speelt een grote rol. Factoren als sancties tegen Rusland, corona en milieubeleid worden veel minder vaak genoemd.
Administratie en managementfuncties worden het vaakst naar het buitenland verplaatst; daarnaast verdwijnen ook banen in productie, marketing, sales, klantenservice en ICT naar het buitenland. De meeste verplaatsingen gaan naar andere EU-landen. Het Verenigd Koninkrijk trekt vooral management, administratie en commerciële functies aan; China wordt vooral gekozen voor productie; India voor administratie, management en ICT-diensten—bedrijven kiezen dus per land gericht op kosten en kennisaanbod.
Sectoraal is de ICT-branche koploper: 14% van de ICT-bedrijven verplaatste activiteiten, tegenover 7% in de industrie. In absolute termen vonden de meeste verplaatsingen plaats in de industrie (165 bedrijven) en de groot- en detailhandel (120 bedrijven). Sectoren als delfstoffenwinning, energie en bouw laten weinig verschuivingen zien.
Tegelijk verhinderen wettelijke en administratieve barrières, en onzekerheid over product‑ of dienstkwaliteit in het buitenland, veel bedrijven om te verhuizen. Het CBS concludeert dat het beeld stabiel is vergeleken met voorgaande jaren, maar dat het erop wijst dat Nederland voor een deel van het bedrijfsleven aan aantrekkingskracht verliest—een aandachtspunt voor beleid gericht op arbeidsmarkt, kostenstructuur en administratieve lasten.