Een motie van wantrouwen tegen alle vrouwen
In dit artikel:
De schrijver reageert fel op wat hij ziet als een breder patroon van bestuurlijke misser en culturele zelfvervreemding in Nederland en België, met als centraal voorbeeld Stek Oost — een Amsterdams studentencomplex waar volgens berichtgeving groepsverkrachtingen hebben plaatsgevonden door mannen uit migrante gemeenschappen. De zaak, die zelfs BNNVARA tot een documentaire bracht, leidde tot een heftig raadsdebat in de Stopera: wethouder Rutger Groot Wassink vroeg expliciet om een motie van wantrouwen en zei dat hij die “als een geuzentitel” zou dragen. Dat gebaar interpreteert de auteur als symptomatisch voor een bestuurlijke houding die slachtofferschap en politieke ideologie boven vrouwenveiligheid stelt.
In het debat verdedigde GroenLinks-wethouder Zita Pels het beleid om woonruimtes te creëren waar de gemeente meer controle zou kunnen uitoefenen; de schrijver leest dat als een perverse logica: het creëren van geconcentreerde huisvesting voor jonge studentes in woongroepen met bewoners uit culturen met andere gendernormen, terwijl beveiliging en lichtinstallaties in de praktijk tekortschieten. Hij wijst op nieuwe incidenten bij Stek Oost en rapporteert parallelle meldingen dat vrouwelijke verslaggevers in een andere Amsterdamse tunnel werden lastiggevallen, ondanks beloofde maatregelen zoals betere verlichting.
De auteur verwijt de Amsterdamse gemeenteraad hypocrisie en minimalisering: waar vrouwenveiligheid op het spel staat zou de discussie ontaarden in spot (een fragment met gelach rond het woord “piemel” wordt genoemd) en het afschuiven van schuld op “alle mannen” of op simplistische racisme-accusaties. Dat vormt volgens hem slechts één anekdote in een lange reeks van falend gezag en linkse migratiedogmatiek.
Andere voorbeelden die hij aanhaalt: in Lochem geeft de gemeente bewoners duizend euro om eigen sloten en videocamera’s te kopen omdat men zich minder veilig voelt na de komst van een azc — volgens de schrijver een bevestiging van stijgende onveiligheid en bestuurlijke machteloosheid. Ook in Vlaanderen refereert hij aan een video van een jonge vrouw die haar ervaringen met migranten deelt en vervolgens door de publieke en politieke ruimte genegeerd of belachelijk gemaakt wordt (onder meer door politici als Phaedra van Keymolen). Terugkerend thema is dat vrouwen die hun probleem aankaarten soms publiekelijk door andere vrouwen worden weggezet of genegeerd.
De tekst verbindt deze politieke en sociale problemen met het functioneren van het rechtsstelsel. Als casus noemt de auteur de zaak van Lisa (een 17-jarig meisje uit Abcoude) en de verdachte uit Nigeria: het dossier zou bureaucratisch en afstandelijk zijn behandeld, met een nadruk op behandeltrajecten en psychiatrische onderbouwing in plaats van harde nadruk op slachtoffers en vergelding. Vergelijkbaar cynisme ziet hij terug in een Helmondse groepsverkrachtingszaak waarbij de slachtoffers volgens hem onvoldoende rechtvaardiging kregen én rechters — in dat geval drie vrouwen — oordeelden relativerend.
Culturele en genderkritische kanttekeningen lopen als een rode draad door het stuk: de schrijver beklaagt zich over “suïcidale empathie” van het Westen, het tekortschieten van feministische elites die volgens hem hun eigen vrouwen in de steek laten, en een verlies aan gezag en grondwaarden door het niet opleggen van minimale gedragsnormen aan nieuwkomers.
Als contrast plaatst hij Denemarken: het Deense model (geciteerd via Kaare Dybvad Bek) wordt gepresenteerd als voorbeeld van hoe een sociaal-democratische, maar strenge benadering van integratie en inburgering — inclusief harde eisen zoals het respecteren van lokale gewoonten tijdens naturalisatie — kan leiden tot minder asielaanvragen en een stabieler maatschappelijk vertrouwen. De impliciete boodschap is dat Nederland en delen van België te veel weggeven en te weinig grenzen stellen, met negatieve consequenties voor veiligheid en sociale cohesie.
De algehele teneur van het stuk is verontwaardigd en beschuldigend: het bestuurlijke en culturele leiderschap van links wordt verantwoordelijk gehouden voor het in stand houden van risicovolle huisvestingsexperimenten, zwakke handhaving en een politiek klimaat dat kritische stemmen snel wegzet als racistisch of reactionair. De schrijver sluit met sarcasme over Groot Wassinks reactie op de motie en een verwijzing naar Deens beleid als een model voor een meer principiële aanpak van migratie en integratie.