Een briefwisseling over de islam, het secularisme en de grenzen van de persoonlijke vrijheid in het Oosten en het Westen
In dit artikel:
Rasit Elibol en Yaghoub Sharhani voeren een briefwisseling (gepubliceerd 17 december 2025 in De Groene Amsterdammer) over secularisme, religiekritiek en de positie van moslims in Nederland. Beiden reflecteren persoonlijk: wie ze zijn, waar ze vandaan komen en hoe die ervaring hun kijk op religie en politiek heeft gevormd. Centraal staat de tegenstelling dat secularisme in delen van het Midden-Oosten vaak wordt gezien als bescherming tegen religieuze overheersing, terwijl het in Nederland soms wordt ingezet om religieuze minderheden — vooral moslims — te begrenzen.
Yaghoub begint met het beeld dat kritiek op de islam in Nederland makkelijk wordt gekaapt door anti-migratiestemmen, waardoor veel kritische moslims alleen binnenskamers durven spreken. Hij illustreert dat aan persoonlijke voorbeelden: vrienden die negatieve ervaringen met imams niet publiek maken uit angst dat hun pijn als veroordeling van een hele gemeenschap wordt gelezen, of vrouwen wier keuze voor het dragen van een hoofddoek samenhing met de nationale politieke sfeer. Hij haalt het geval van de Egyptische geleerde Nasr Abu Zayd aan: door zijn historisch-literaire lezing van de Koran werd hij in Egypte tot afvallige verklaard en week hij uit naar Nederland — waar hij toch weer koos voor een traditionele openingsformule in het college, een aanwijzing hoe complex vrij spreken kan zijn.
Rasit reageert vanuit zijn familiegeschiedenis. Hij herinnert aan de revolte van linkse bewegingen en aan de Turkse repressie in de jaren zeventig — in het bijzonder de bloedige inval in Kızıldere (1972) — waarbij de staat religie gebruikte om tegenstanders te isoleren. Dat gezamenlijke trauma van staat en kerk verklaart volgens hem waarom veel migrantenouders secularisme hoog in het vaandel hebben staan. Dat verklaart ook de houding van Nederlandstalige politici met migratieachtergrond zoals Dilan Yeşilgöz: haar verzet tegen religieuze invloed is geworteld in een generatie die religie als instrument van onderdrukking heeft ervaren. Rasit wijst er echter op dat het Nederlands politiek-bestel anders is: hier zijn moslims een minderheid, en de blinde toepassing van dezelfde seculiere reflex kan leiden tot disciplinering van die minderheid in plaats van bevrijding.
Yaghoub schildert daarna zijn Iraanse achtergrond: in Iran is religie staatsmacht, met wetten als ‘vijandschap tegen God’ die tot zware straffen leiden. Zijn afkeer van politieke religie komt niet voort uit haat tegen geloof, maar uit wantrouwen tegen macht die zich verschuilt achter het heilige. Hij benadrukt dat vrijheid keuzevrijheid veronderstelt: verbieden of verplichten aan kleding – de hoofddoek — is volgens hem even onderdrukkend. Tegelijk waarschuwt hij voor subtiele, sociale dwang binnen gemeenschappen: eer, schaamte en groepsdruk werken ook als macht en verdienen aandacht.
Beiden bespreken de problematiek binnen links: Rasit signaleert twee linkse houdingen — een humane verdediging tegen racisme en uitsluiting, en een romantiserende stroming die politieke islam als antikapitalistisch verzet verhevigt, soms ten koste van vrouwenrechten en mensenrechten. Hij noemt auteurs en denkers die islamistische bewegingen idealiseren en waarschuwt voor een “omgekeerd oriëntalisme” dat religieuze politiek verheerlijkt en interne problemen wegmotiveert. Yaghoub verwijst naar denkers als Talal Asad om te stellen dat seculiere staten niet neutraal zijn; zij trekken grenzen en definiëren welke religieuze uitingen acceptabel zijn, waardoor secularisme ook uitsluiting kan produceren.
Doorlopend trekken de auteurs voorbeelden: Lale Gül (Nederlands-Turkse schrijfster die openlijk afstand nam van religie en bedreigd werd), de Turkse geschiedenis en recente Nederlandse debatvormen over de hoofddoek en ‘islamisering’. Beide schrijvers verzetten zich tegen simplistische afrekeningen — het reduceren van alle moslims tot een homogene bedreiging of het romantiseren van politieke islam — en pleiten voor onderscheidend denken. Hun gezamenlijke conclusie is dat religiekritiek geloofwaardiger en eerlijker is wanneer die voortkomt uit ervaring met religieuze macht (activisten, feministen, dissidenten uit regio’s waar religie wél staatsmacht is) en dat het debat losgemaakt moet worden van reflexen van rechts óf romantiserend links.
Kortom: de briefwisseling zoekt naar een evenwichtige benadering waarin secularisme echt bescherming biedt — tegen zowel staatsreligie als tegen onzichtbare uitsluiting — en vraagt om meer nuance in Nederlandse debatten over islam, migratie en vrijheid.