Een aantal schrijvers is recent bekeerd tot het christendom of tot 'iets'. Gaan ze er mooiere boeken van schrijven?
In dit artikel:
Kees ’t Hart signaleert dat God na een periode van afkeur langzaam terugkeert in de Nederlandse cultuur en literatuur. Waar ooit fel atheïstische debatten – met namen als Dawkins, Dennett en in Nederland Herman Philipse en Rudy Kousbroek – het discours bepaalden, is religie nu veelal een vanzelfsprekend, vaak vaag aanwezig verschijnsel: op tv (The Passion), in popmuziek, op wegwijzers en in persoonlijke belevingen. God is verplaatst van publieke theologische discussies naar de binnenwereld: een beleving die troost, verbondenheid of zingeving belooft zonder te vervallen in doctrinaire discussies over zonde of vrije wil.
In de populaire fictie duikt christelijk geloof nog regelmatig op: Jannie den Besten gebruikt in recente romans (onder meer De golven zwijgen, 2025) thema’s van overgave en geloof. In ernstigere literaire kringen is er volgens ’t Hart eveneens een hernieuwde aandacht voor godsbesef. Namen als Désanne van Brederode, Willem Jan Otten en Vonne van der Meer blijven arbeid verrichten met katholieke inspiratie; verder werkt Maarten van der Graaff al jaren met religieuze aarzeling als motief, en Toon Tellegen leverde in 2021 een speels-serieus portret van God in God onder de mensen.
Opvallend is de toename van openlijke bekeringen of uitgesproken spiritualiteit bij hedendaagse schrijvers, vaak naar het rooms-katholicisme. Voorbeelden die ’t Hart noemt zijn Bregje Hofstede, Kristien Hemmerechts, J.Z. Herrenberg en de Vlaming Christoph Vekeman; hun trajecten omvatten schuld, depressie, plotselinge religieuze ervaringen, trance-achtige momenten en uiteindelijk overgave. Hemmerechts en Herrenberg vertellen publiekelijk over hoe bewuste keuzes, familierelaties of ontmoetingen met anderen hen naar de kerk en uiteindelijk tot geloof brachten. Vekeman schreef in 2024 een lofzang op het katholicisme en kondigt zelfs aan te stoppen met romans — een radicale en gepassioneerde wending.
’t Hart plaatst deze persoonlijke verhalen in een langere traditie van aandacht voor religieuze ervaring en verwijst naar William James’ The Varieties of Religious Experience (1902) als blijvend instrument om bekeringen en mystieke ervaringen serieus te analyseren. Voor veel schrijvers blijkt geloof te beantwoorden aan een honger die een louter materialistische wereldvisie niet kan stillen. Ook de aanwezigheid van andere religies in Nederland (bijvoorbeeld islamitische praktijk en uitdrukkingen zoals “Inshallah”) draagt bij aan een cultuurlijke sfeer waarin geloofsuitingen opnieuw zichtbaar en polyvalent zijn.
De auteur blikt eerlijk naar zijn eigen gevoeligheid voor vervoering — door muziek, literatuur of ritueel — en prijst recente werken die die ambiguïteit tussen ongewisheid en verlangen treffend verwoorden, zoals Lieke Marsmans Op een andere planeet kunnen ze me redden. Hij vraagt zich af of deze terugkeer van het goddelijke tot betere literatuur zal leiden, maar spreekt wel bewondering uit voor de overtuiging en de enthousiasme van de nieuwe gelovige schrijvers.
Kortom: in 2025 ziet ’t Hart een culturele kentering waarin God niet zozeer als object van rationele bestrijding, maar als innerlijke beleving en literair motief terugkeert — een mix van persoonlijke bekeringservaringen, literaire verkenningen van religie en een bredere maatschappelijke verschuiving naar spirituele zoektochten.