Drink jij straks in de sportschool een eiwitdrankje van Avebe? Dit is hoe de aardappelzetmeelindustrie zichzelf steeds opnieuw uitvindt
In dit artikel:
Vier geschiedenisstudenten uit Groningen hebben een boek geschreven over twee eeuwen innovatie in de oer‑Groningse aardappelzetmeelindustrie, met als doel het vaak onbekende belang en de moderne vernieuwingen van die sector onder de aandacht te brengen. Jarno Welp (25, uit Oostwold) en medestudenten Casper Colenbrander, Roelof de Jong en Lisabeth Woltjer werkten het project uit na een collegereeks van hoogleraar Marijn Molema en docent Dorien Knaap over regionale ontwikkeling; het boek heet Missie (on)voltooid. Twee eeuwen innovatie in de aardappelzetmeelindustrie en is gratis digitaal te downloaden via de University of Groningen Press.
Het verhaal begint in de Veenkoloniën, waar uit de turfwinning overgebleven grond zich vanaf de negentiende eeuw goed leende voor de aardappelteelt. In 1841 richtte Willem Albert Scholten in Foxhol een zetmeelfabriek op; zijn onderneming groeide uit tot het Scholten‑Honigconcern en uiteindelijk tot Avebe. De auteurs laten zien hoe kleine, lokale fabriekjes verdwenen en plaatsmaakten voor grotere, meer geüniformeerde productie.
Innovatie in de sector voltrok zich volgens de onderzoekers op drie fronten: technologische modernisering van het productieproces (van stoom naar elektriciteit), het terugdringen en zuiveren van milieubelastende reststromen, en de ontwikkeling van nieuwe toepassingen en afgeleide producten — inclusief rassenverbetering van de aardappel zelf om hoger zetmeelgehalte te verkrijgen. Avebe, tegenwoordig een wereldwijd toonaangevende coöperatie met een eigen laboratorium op het Zernike‑terrein, illustreert die overgang van lokale fabriek naar onderzoeksgestuurde onderneming.
Milieuproblematiek speelde een doorslaggevende rol in veranderingsprocessen. Afvalwater met eiwitten leidde lang tot stank‑overlast, maar versterkte milieuregels en publieke druk maakten grootschalige investeringen in zuivering noodzakelijk, vooral in de jaren zeventig. Tegelijkertijd verschoven wat eerst afvalstromen waren naar waardevolle grondstoffen: vanaf de jaren vijftig werd eiwit uit aardappelen benut, en tegenwoordig vormt plantaardig eiwit een lucratieve tak van Avebe. Zulke proteïnen vinden toepassingen in voedingsmiddelen (bijvoorbeeld om magere melk romiger te maken) en sluiten aan bij de groeiende vraag naar duurzame, dierlijke‑vrijde ingrediënten.
De auteurs benadrukken dat innovatie alleen niet genoeg is; samenwerking tussen boeren (leveranciers), directie, werknemers en overheid was en is cruciaal. De coöperatieve structuur van Avebe helpt belangen te balanceren, terwijl overleg met de overheid belangrijk was bij milieuoplossingen en fusies. Knaap en de studenten willen met het boek zowel wetenschappelijk verantwoorde inzichten als een toegankelijk, illustratief verhaal bieden zodat mensen in de Veenkoloniën trots kunnen zijn op hun industrie en hedendaagse lessen kunnen trekken over hoe bedrijfstakken duurzaam kunnen blijven.
Het boek combineert archiefonderzoek, foto’s en analyserende teksten en ziet innovatie als een reeks maatschappelijke ‘missies’ waarvan sommige voltooid zijn en andere — met name de transitie naar een circulaire en duurzame economie — nog in uitvoering. Welp vervolgt inmiddels een master over hoe organisaties van hun geschiedenis kunnen leren, met de ambitie die kennis straks in het bedrijfsleven toe te passen.