Drie jaar cel voor verkrachting door begeleider zorginstelling
In dit artikel:
Een 50-jarige man uit Zierikzee, geïdentificeerd als Arno K., is veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf voor ontucht, aanranding en verkrachting van twee cliënten van de Zeeuwse ggz-instelling Emergis. Het Openbaar Ministerie had eveneens drie jaar geëist. Van de opgelegde straf is één jaar voorwaardelijk. Daarnaast kreeg K. een contactverbod van vijf jaar met zijn slachtoffers en een beroepsverbod van vijf jaar.
K. werkte op een afdeling voor mensen met langdurige mentale of psychosociale problemen; meerdere cliënten met psychische kwetsbaarheid werden slachtoffer. Emergis liet zich vanwege de strafzaak aanvankelijk inhoudelijk niet uit. Wel blijkt uit zijn dossier dat hij eerder elders in de ggz op staande voet is ontslagen wegens grensoverschrijdend gedrag, onder meer het sturen van expliciete foto’s naar collega’s. Eerder werkte K. ook als wijkagent maar verloor die baan nadat hij seksueel contact had met verschillende vrouwen uit zijn wijk; daarover werd geen aangifte gedaan.
Een van de slachtoffers, die in de krant ‘Robin’ wordt genoemd en al eerder trauma’s van seksueel misbruik heeft, zegt zich gebruikt te voelen en start samen met andere cliënten een klachtenprocedure tegen Emergis wegens schending van de zorgplicht. Zij stelt dat collega’s wisten van K.’s gedrag en dat cliënten als het ware “proefkonijnen” waren: de vraag was volgens haar niet óf het mis zou gaan, maar wanneer.
De zaak past in een groter patroon: uit onderzoek van het WODC (onder het Ministerie van Justitie en Veiligheid) blijkt dat in 2025 ongeveer 11.000 patiënten te maken kregen met seksueel grensoverschrijdend gedrag door zorgverleners, maar de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ontving slechts zo’n 350 meldingen. Patiëntenvereniging Mind noemt die cijfers vermoedelijk slechts het topje van de ijsberg; directeur Dienke Bos wijst erop dat veel slachtoffers, zeker mensen in de ggz, niet durven of niet in staat zijn aangifte te doen.
Problemen worden volgens IGJ deels veroorzaakt door het huidige systeem rond de Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG): zorgverleners die niet zijn veroordeeld kunnen vaak toch doorgaan met werken omdat meldingen of politiegegevens niet altijd in een VOG verschijnen. IGJ benadrukt dat werkgevers een bredere achtergrondcheck moeten doen en waar nodig aangifte moeten doen. Mind pleit voor een strengere VOG (een zogenoemde VOG P) waarin ook politiemeldingen zijn opgenomen; het WODC onderzoekt of zo’n regeling voor mensen die met kwetsbare groepen werken noodzakelijk is, mede omdat bewijs in zedenzaken vaak moeilijk te leveren is.