Drie activisten blikken terug op de Arabische Lente
In dit artikel:
Vijftien jaar na de opstanden van 2011 blikken drie activisten terug op wat de Arabische Lente in hun landen bracht — en wat juist niet.
Emna Ben Jemaa (Tunesië), destijds invloedrijke blogger en journalist, beschrijft een eerste fase van duidelijke vooruitgang: het einde van Ben Alis institutionele censuur, vrije verkiezingen, politieke diversiteit en een opener medialandschap waarin gevangenen werden vrijgelaten en burgers zichtbaarder deelnamen aan het publieke leven. Die hoop werd echter ondermijnd door onopgeloste sociale en economische problemen en door het voortbestaan van veel oude machtsstructuren. Sinds 2021 ziet ze onder president Kais Saied een terugval in persvrijheid, politieke participatie en institutionele checks and balances. Persoonlijk balanceert ze tussen solidariteit met politieke gevangenen en de reële risico’s van zichtbaar activisme; als moeder weegt haar bezorgdheid over de veiligheid van haar kinderen zwaar. Haar conclusie: de opstand kraakte het regime, maar demonteerde het achterliggende systeem niet volledig — vandaar de tere fragiliteit van de verworvenheden.
Razan Rashidi (Syrië), directeur van The Syria Campaign, herinnert zich hoe de Syrische protesten begonnen als solidariteitsacties voor buurlanden maar snel escaleerden na gewelddadig optreden van het regime, met Daraa als cruciale vonk. Vroege activisten ontwikkelden creatieve, vluchtige tactieken — 'vliegende protesten', geënsceneerde verkeersongelukken om ruimte te blokkeren — omdat demonstreren levensgevaarlijk was. Wat volgde: massaal geweld, systematische wreedheden en een oorlog die vele politieke eisen op de achtergrond drukte. De belangrijkste hardnekkige problemen zijn volgens haar straffeloosheid en het feit dat gewapende groeperingen die misdaden pleegden nu vaak een rol spelen in politieke regelingen. Internationaal beleid lijkt soms te streven naar het labelen van Syrië als 'veilig' om terugkeer van vluchtelingen te faciliteren, eerder dan te eisen dat verantwoordelijken verantwoording afleggen. Toch put Rashidi hoop uit het aanhoudende engagement van het Syrische maatschappelijk middenveld voor mensenrechten en rechtvaardigheid.
Soraya Bahgat (Egypte) richtte tijdens de Tahrir-protesten Tahrir Bodyguard op nadat zij zelf aangerand werd op de avond dat Mubarak vertrok (11 februari 2011). Haar initiatief richtte zich op het beschermen van vrouwen tegen groepsaanrandingen in de chaotische protestweken. Het collectief wilde van zichzelf overbodig worden — en dat is deels gelukt. Bahgat merkt uitzichtelijke verbeteringen: meer aandacht voor seksuele intimidatie, wetswijzigingen waardoor daders sneller aangeklaagd kunnen worden, en een grotere vertegenwoordiging van vrouwen in kabinet en parlement. Tegelijkertijd blijft de politieke context wisselend — de revolutie leverde eerst veel burgerkracht, maar de machtsverschuivingen en latere repressie veranderden het speelveld ingrijpend.
Samen vormen de portretten een gemengd beeld: initiële democratische impulsen en maatschappelijke mobilisatie stonden tegenover hardnekkige economische problemen, terugslag door autoritair bestuur, oorlog en een gebrek aan gerechtigheid. Alle drie blijven activistisch engagement en burgerinitiatief zichtbaar — vaak gedreven door persoonlijke ervaringen — maar confrontatie met repressie, burn-out en de prioriteiten van de internationale politiek hebben de beloften van 2011 sterk getemperd.