Drenthe worstelt met de opdracht om in 25 jaar 45.000 woningen te bouwen. 'Er komt geen hond naar Drenthe als je het vol zet met huizen'
In dit artikel:
Op een drukbezochte brainstorm in de Statenzaal van het Drentse provinciehuis (4 december) bespraken zo’n honderd bestuurders, ontwerpers, ontwikkelaars, agrariërs en makelaars de ruimtelijke toekomst van Drenthe. Centraal staat de opgave: tot 2050 ongeveer 45.000 nieuwe woningen toevoegen. Ruimtelijk strateeg Henny Bruijnzeel (stichting Libau) schetste haar aanpak: kiezen waar te bouwen zonder het karakter van het landschap te verspelen, en slimme herbestemming benutten.
Bruijnzeel benadrukt dat Drenthe in een spagaat zit tussen veel uiteenlopende ruimtevraagstukken en een kwetsbaar landschap. Verrommeling of grootschalige volbouw dreigen de aantrekkelijkheid en daarmee de lange-termijn economische waarde van de provincie te ondermijnen. Tegelijkertijd ziet zij ook de noodzaak van bewuste ingrepen: infrastructuurprojecten zoals de voorgestelde Nedersaksenlijn door Oost-Groningen en Zuidoost-Drenthe kunnen weloverwogen veranderingen rechtvaardigen omdat ze kansen scheppen voor werk, studie en regionale verbinding. De spoorlijn is geen garantie voor welvaart, maar kan een impuls geven als gemeenten en dorpen de mogelijkheden strategisch benutten.
Praktisch pleit Bruijnzeel niet alleen voor nieuwe wijken rond bestaande stedelijke knooppunten (zoals Hoogeveen, Emmen, Meppel, Assen en plaatsen als Roden, Beilen, Coevorden), maar vooral ook voor het benutten van wat er al is: leegstaande panden, herstructurering van verouderde naoorlogse wijken en het slim opdelen van grote woningen. Dat noemt ze “laaghangend fruit”: bestaande voorzieningen, infrastructuur en netwerken zijn er al, waardoor renovatie vaak goedkoper en duurzamer is dan nieuwbouw op het open land.
Demografische veranderingen dwingen tot andere woningtypes. Huishoudens worden kleiner (meer een- en tweepersoons huishoudens, deels kinderloos) en ouderen blijven langer vitaal en mobiel, waardoor de traditionele doorstroomrichting naar appartementen anders verloopt dan vroeger. Minder m2 per huishouden betekent dat op dezelfde oppervlakte meer woningen mogelijk zijn — als je woningindelingen en functies herdenkt en bestaande gebouwen in kleinere eenheden verdeelt.
Bruijnzeel ziet ook ruimte voor innovatieve woonvormen en collectief initiatief: samenhuizen, gedeelde voorzieningen en kleinschalige coöperatieven die provincie-subsidies kunnen krijgen. Tot slot pleit ze voor gedwongen maar doordachte keuzes: niet alles kan, maar door te sturen op kwaliteit van landschap, hergebruik en gerichte investeringen kan Drenthe bouwen zonder haar identiteit te verliezen. De provincie gaat deze thema’s verder uitdiepen in een serie artikelen over de woningopgave tot 2050.