Door trucje van honingbij kunnen drones straks piepklein worden
In dit artikel:
Onderzoekers van TU Delft, onder leiding van drone-expert Guido de Croon, laten kleine drones navigeren volgens hetzelfde principe als honingbijen. Geïnspireerd door onderzoek waarbij biologen antennes op bijen plaatsten en hun vluchtpatronen analyseerden, kopieert het team het idee van korte leervluchten gevolgd door een relatief rechte terugweg. In plaats van zware 3D-kaarten gebruiken de robots een eenvoudige vorm van “stappen tellen”: ze meten met behulp van optische stroomsnelheid hoeveel het landschap voorbijtrekt om zo hun positie ten opzichte van het vertrekpunt te schatten.
Het systeem vereist extreem weinig geheugen — rond 42 kilobyte — en heeft al binnenproeven tot zo’n 600 meter succesvol doorstaan, waarbij de drones telkens naar huis terugkeerden. Omdat de aanpak veel minder rekenkracht en opslag vraagt dan traditionele kaartgebaseerde navigatie, kan hij toegepast worden op piepkleine drones die in kassen of magazijnen veilig en goedkoop taken uitvoeren. In kassen (onder andere in het Westland) wordt verder getest op toepassingen zoals vroegtijdige opsporing van zieke planten of plagen; uiteindelijk moeten de toestellen circa 50 gram gaan wegen. De grootste openstaande technische uitdaging is de energievoorziening: hoe houd je zulke lichte drones lang genoeg in de lucht?
Het werk is gepubliceerd in Nature en heeft twee kanten: robotica profiteert van biologische inzichten, maar de robotica helpt op zijn beurt biologen beter te begrijpen hoe bijen navigeren. De Croon schat dat bedrijven over vijf tot tien jaar van deze “bijendrones” gebruik kunnen maken — ook andere sectoren en mogelijk defensie tonen interesse — en hoopt vooral op civiel-economische toepassingen.