Door menselijk ingrijpen dringt de zee diep het land in, maar dat is terug te draaien
In dit artikel:
Wageningse onderzoekers tonen aan dat menselijk ingrijpen de afgelopen twee eeuwen estuaria (riviermondingen) aanzienlijk heeft veranderd en de getijdenwerking versterkt. Joris Beemster (WUR) vergeleek 25 estuaria in Europa, Azië en Noord‑Amerika en concludeert in Nature Geoscience dat baggeren, indammen, verdiepen en versmallen – gedaan om grote schepen toe te laten, land te winnen of de stroming te verbeteren – het getij veel meer hebben beïnvloed dan de zeespiegelstijging in diezelfde periode.
Door mondingen dieper en smaller te maken werkt het systeem als een trechter: vloedgolven komen sneller en krachtiger binnen en dringen soms meer dan honderd kilometer landinwaarts door. Dit heeft meerdere negatieve gevolgen: zoute waterinfiltratie en verzilting van bodem en zoetwatervoorraden, verslechterde waterkwaliteit, verlies aan biodiversiteit en een fors verhoogd overstromingsrisico.
Promotor Ton Hoitink benadrukt dat de menselijke invloed ook kansen biedt: het teruggeven van ruimte aan water — denk aan oude overloopgebieden — kan het hoogste hoogwater snel verlagen en tegelijk de natuur herstellen. De onderzoekers pleiten voor meer geïntegreerde oplossingen dan puur traditioneel ingenieurswerk; wie verdiept, zou ook moeten verbreden om opeenstapelende negatieve effecten te voorkomen. In Nederland onderzocht het team met name de Rijn‑Maasmonding, de Westerschelde en de Eems. De Rijn‑Maas profiteert deels van de Maasvlakte, waardoor diep baggeren landinwaarts minder nodig is; in Duitsland leidt intensief baggeren juist tot een sterke versterking van het getij.
Kort: kleine ruimtelijke ingrepen kunnen veel doen voor veiligheid en biodiversiteit, en het terugbrengen van natuurlijke overloopzones moet onderdeel worden van klimaat‑ en waterbeheer.