Door een systeem te bouwen dat leunt op gewelddadige onderdrukking, zit ayatollah Khamenei nu in de val

maandag, 2 februari 2026 (09:29) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

2 februari 2026 — Ruim een maand na het begin van een nieuwe protestgolf is Iran grotendeels afgesloten: vaste en mobiele netwerken zijn massaal uitgeschakeld en alleen enkele beelden via satellietverbindingen bereiken de buitenwereld. Die schaarse beelden schetsen een eenduidig beeld van grootschalige militaire repressie: bloedige straatbeelden, huilende families en massale arrestaties.

De belangrijkste protagonist is opperste leider ayatollah Ali Khamenei. In twee toespraken sinds het uitbreken van de onlusten herhaalde hij zijn vastberadenheid het systeem te behouden, beschuldigde hij de Verenigde Staten en Israël van inmenging en bestempelde hij demonstranten als door buitenlanden misleide onruststokers. Die retoriek sluit aan bij zijn reactiepatroon uit eerdere crises (1999, 2009, de Vrouwen, Leven, Vrijheid-opstand van 2022), maar is vooral bedoeld om de veiligheidsdiensten te mobiliseren en zijn greep op macht te tonen.

Constitutioneel is Khamenei opperbevelhebber van de strijdkrachten, waaronder de Islamitische Revolutionaire Garde (IRGC, door de EU aangemerkt als terroristische organisatie), het reguliere leger en de Basij-militie. Decennialang heeft hij een loyaliteitsnetwerk opgebouwd door oppositiefiguren uit te schakelen en veiligheidspersoneel intensief te controleren — zelfs hun families wonen vaak in afgesloten complexen. Ook de staatsomroep en overige media staan onder strenge censuur; sociale media zijn grotendeels geblokkeerd of alleen via VPN bereikbaar. In crisistijden schroeft het regime de controle verder op met volledige internetblackouts, zoals nu, waardoor communicatie tussen betogers wordt gefrustreerd en het regime het narratief kan beheersen.

De repressieve maatregelen hebben een zware menselijke tol: volgens rapporten zijn duizenden tot tienduizenden mensen gedood of gewond, velen zijn opgepakt, advocaten worden geweerd, gevangenen krijgen geen adequate medische zorg en families worden soms gedwongen te betalen voor kogels waarmee hun dierbaren zijn gedood en onder strikt toezicht te begraven. Bekende activisten en verdedigers van mensenrechten — onder wie Nasrin Sotoudeh en Nobelprijswinnaar Narges Mohammadi — zitten weer vast of leven onder streng toezicht.

Een cruciale politieke bijwerking is de implosie van het resterende patriottisme dat de regering op zijn minst tijdelijk legitimeerde. Tijdens de twaalfdaagse militaire confrontatie met Israël vorig jaar leefde een kortstondige nationale saamhorigheid; die broze steun is door de huidige bloedige onderdrukking grotendeels verbrijzeld. Daardoor is het publieke draagvlak voor de staat geslonken en groeit bij een deel van de bevolking het idee dat binnenlands, ongewapend verzet niet afdoende is — sommigen zien externe militaire actie als de enige resterende optie, of men zou bereid zijn een nieuwe buitenlandse confrontatie te steunen omdat binnenlandse veiligheidsdiensten al zo veel doden maken.

Khamenei zit daardoor in een paradox: het brute geweld herstelde tijdelijk zijn controle, maar ondermijnde tegelijk de sociale legitimiteit waarop een kostenbesparende externe oorlogsretoriek kon steunen. Blijft hij doorgaan met interne terreur, dan houdt het regime zich staande maar verkleint het op termijn zijn overlevingskansen; kiest hij voor een buitenlandse confrontatie, dan riskeert hij blootstelling van het zwakke fundament van zijn macht. Met het verbrijzelen van het laatste restje patriottische steun staat hij voor een dilemma zonder eenvoudige uitweg.