Dit vindt De Groene de vijf beste boeken van de maand april
In dit artikel:
Marja Pruis en Charlotte Remarque tippen op 1 mei 2026 vijf recente titels die zich als intellectuele puzzels opwerpen rond schrijven, taal, geheugen en de vraag wat literatuur nog kan. De selectie toont een thema: schrijvers die over schrijven reflecteren en daarbij de mogelijkheden en beperkingen van taal en herinnering bevragen.
Kees ’t Hart wijst Wouter Godijn aan als voorbeeld van iemand die volgens hem wél “literatuur” schrijft, met alle bijbehorende zijsprongen, lyriek en reflecties. Pruis en Remarque plaatsen die zelfreflectie echter kritisch: vaak werkt het als afleiding, maar soms verheft zo’n probleem het tot een universele kwestie—hoe communiceren we, wat verbergen of onthullen woorden, wat blijft en wat vervaagt?
Voorbeelden uit de maand: de Amerikaanse Ben Lerner blijft consistent met zijn nerveuze, zelfbewuste vertellers; zijn nieuwe roman Transcriptie gaat over een schrijver die zijn stervende mentor interviewt en draait om waarheid, fictie en de tekortkomingen van taal. Claudia Hunzinger’s Een hond aan mijn tafel schetst een oudere schrijfster die worstelt met het nut van schrijven te midden van generatiewisselingen en ecologische of maatschappelijke dreigingen. Vincent Merjenberg (Danswoede) volgt een protagonist die stopt met samenhangende teksten en onderzoekt of schrijven therapeutische waarde heeft of een vorm van zelfbedrog is. Tenslotte springt het essay God, techniek en alwetendheid van Mehdi Belhaj Kacem eruit: zijn analyse van het alomtegenwoordige technologische geheugen dat menselijke herinnering overstijgt, laat volgens recensenten een langdurige ontreddering achter.
Kortom: vijf boeken die de schrijver als figuur en schrijven als praktijk centraal zetten, en die vragen oproepen over expressie, begrip en de rol van literatuur in een veranderende wereld.