Dit is hoe minister Faber vastliep bij noodrecht voor asiel: 'Graaien naar argumenten'

woensdag, 13 mei 2026 (10:02) - RTL Nieuws

In dit artikel:

Premier Schoof en zijn kabinet wilden in de zomer en herfst van 2024 snel ingrijpen tegen wat zij bestempelen als een asielcrisis. Het plan: via het staatsnoodrecht - aangeduid in de Vreemdelingenwet via artikelen 110 en 111 - met een Koninklijk Besluit en een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) tijdelijk van de gewone vreemdelingenregels afwijken om de instroom van asielzoekers te beperken en de druk op opvanglocaties zoals Ter Apel te verlichten. Het doel was sneller kunnen optreden zonder eerst de gebruikelijke parlementaire behandeling af te wachten; uiteindelijk zou de Kamer later over het voortduren moeten beslissen en kunnen rechters toetsen of er daadwerkelijk sprake is van ‘buitengewone omstandigheden’.

De uitvoering kwam in handen van minister Marjolein Faber (PVV). Haar ministerie werkte in hoog tempo aan een dossier; ambtenaren gaven aan dat een Koninklijk Besluit snel te formuleren zou zijn, maar waarschuwden herhaaldelijk dat het juridisch lastig zou zijn om een houdbare, feitelijke onderbouwing te leveren. Volgens juridisch advies was het twijfelachtig of de situatie voldeed aan de vereiste “buitengewone omstandigheden” waarmee het staatsnoodrecht kan worden geactiveerd. Ook eerdere kabinetten (onder Rutte) hadden die route onderzocht en daar geen grond voor gevonden.

Faber hield vol dat de grote instroom het systeem overbelastte: opvang, huisvesting, onderwijs en zorg zouden onder druk staan en er zouden veiligheidsrisico’s zijn. Ambtenaren eisten harde cijfers en causale verbanden tussen instroom en tekorten, en wezen erop dat veel door de minister gebruikte formuleringen niet goed te onderbouwen waren. Een eerste tekstvoorstel van de minister, waarin een reeks incidenten ernstig werd toegeschreven aan asielzoekers, werd door ambtelijke adviseurs ingekort omdat de beweringen volgens hen niet feitelijk gestaafd konden worden.

In september lag er een opzet voor een Koninklijk Besluit met als kernargument de “onhoudbare druk in de asielketen”. Ambtenaren reageerden op 24 september met scherpe kritiek: zij concludeerden dat er onder de bestaande omstandigheden geen toereikende dragende motivering te geven was en dat de voorgestelde, op korte termijn uitvoerbare maatregelen waarschijnlijk niet genoeg verlichting zouden brengen om activering van staatsnoodrecht te rechtvaardigen. Ze wezen er ook op dat veel vermeende problemen historisch gegroeid zijn en moeilijk als acute, uitzonderlijke omstandigheden voor te stellen zijn, en dat het onduidelijk is hoe een rechter zulke argumenten zou beoordelen.

De ambtenaren stelde herhaaldelijk alternatieven voor, zoals spoedwetgeving die de parlementaire betrokkenheid behoudt maar het proces versnelt. Desondanks bleef de minister aanvankelijk vasthouden aan de noodrechtsroute. Op 15 oktober verklaarde Faber dat de dragende motivering klaar was, maar die mededeling werd enkele uren later ingetrokken. Kritische geluiden binnen ambtelijke rangen bereikten ook coalitiepartners. Op 20 oktober besloten PVV en NSC, later met VVD en BBB aangesloten, tijdens beraad in het Catshuis dat de motivering juridisch niet haalbaar was: de kloof tussen het subjectieve gevoel van een “asielcrisis” en een juridisch waterdichte onderbouwing bleek te groot.

Gevolg: het kabinet gaf de poging om het staatsnoodrecht in te zetten op basis van de door Faber aangedragen motivering op, en de ambtenaren hadden hiermee gelijk gekregen. Faber heeft vervolgens geen nadere juridische argumenten gevonden om de activering te rechtvaardigen en weigert verder te reageren, verwijzend naar haar opvolger als minister van Asiel en Migratie.

Kortom: het kabinet wilde snel ingrijpen tegen de instroom van asielzoekers door een bijzondere wettelijke route in te slaan die parlement en normale procedures zou omzeilen, maar binnen de ministeries bleek onvoldoende hard bewijs en juridische draagkracht aanwezig om de noodzakelijke ‘buitengewone omstandigheden’ aannemelijk te maken. Ambtenaren pleitten voor een meer reguliere, doch spoedige wetgevingsroute; de poging tot noodrechtsinzet strandde na interne kritiek en politieke afwegingen.