Dirk Filarski wilde zich meten met de Alpen

woensdag, 14 januari 2026 (11:00) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

In april 1910 luidde de St. Lucas-tentoonstelling in Amsterdam een nieuw hoofdstuk in voor de moderne kunst in Nederland: de zogenoemde ultra‑modernen veroorzaakten opschudding in het Stedelijk, met een radicale zaal waar werk hing van onder anderen Mondriaan, Sluyters, Gestel en ook Dirk Filarski. Die groep werd geroemd om het vangen van overweldigend licht — denk aan Domburg en Westkapelle — en om het loslaten van traditionele kleurnormen.

De huidige overzichtstentoonstelling in Bergen zoomt in op Filarski, een minder bekende maar buitengewoon productieve schilder met een onstuimig leven. Hoewel hij kort tussen 1918 en 1920 bij de Bergense School hoorde en daardoor soms in een donker, bruinachtig palet werd geplaatst, laat de expositie zien dat Bergen slechts een fase in zijn loopbaan was. Filarski was een onvermoeibare reiziger en veranderde vaak van stijl zodra een landschap hem niet langer ‘electriseerde’. Grote steun kreeg hij van de verzamelaar Piet Boendermaker, die honderden werken van hem verwierf.

Zijn meest bepalende jaren waren de periodes net voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog in Zwitserland, waar hij de Alpen buiten schilderde — ook in de winter, op ski’s, met een zelfgemaakte kist voor natte doeken. Van een aanvankelijke lichte, luministische toets ontwikkelde hij zich tot een krachtiger, expressiever palet met grote, heldere kleurvlakken: felgeel, knalblauw, oranje en groen. Die eigenzinnige visie hield hem uit de gevaren van vertrutting. Zelfs in 1930 toonde hij een kleurrijk gezicht op het Jodenkerkhof van Fez, waarmee hij zijn afstand nam van het vroegere ’zware’ kleurgebruik en zijn directe, oprechte kleurhouding bevestigde.