Digitale identiteit en dito betalingssystemen: de surveillancestaat rukt op
In dit artikel:
Auke Zijlstra (PVV), Europarlementariër en voormalig IT-er, beschrijft hoe zijn vroegere fascinatie voor computers veranderde in bezorgdheid over de maatschappelijke en bestuurlijke implicaties van grootschalige digitalisering. Waar hij ooit genoot van programmeren en fabrieksautomatisering, zag hij later ook hoe techniek werkprocessen hard vastlegt en privacy en autonomie onder druk zet. Die persoonlijke ervaring vormt de achtergrond van zijn kritiek op recente Europese initiatieven rond “technologische soevereiniteit” en “Europese autonomie”.
Zijlstra signaleert dat Brussel technologische soevereiniteit steeds meer profileert als antwoord op geopolitieke onzekerheid en afhankelijkheid van buitenlandse technologie. De Commissie en het Europees Parlement willen grote publieke en private investeringen mobiliseren — met woorden en cijfers: een ambitie tot ongeveer €200 miljard, al ruim €10 miljard gereserveerd voor supercomputing en AI-faciliteiten in 2021–2027, en zo’n €20 miljard via InvestAI voor meerdere AI-trainingsdatacenters. Zulke centra vragen enorme, constante energie-aansluitingen en lange-termijn prijszekerheid, waardoor AI-beleid automatisch ook energie- en industriepolitiek wordt.
Kernpunten van Zijlstra’s kritiek:
- Digitale publieke infrastructuur (DPI): Brussel wil hardware, cloud, data en AI verbinden in een EU-gestuurde, op open standaarden gebaseerde infrastructuur. Technisch klinkt modulariteit logisch, maar Zijlstra vraagt zich af waarom dit uitsluitend via Europese publieke structuren moet plaatsvinden en niet via marktmechanismen en internationale standaards.
- EDIC’s: Uitvoering zou via nieuwe juridische entiteiten — European Digital Infrastructure Consortia — verlopen. Deze organisaties, opgericht door meerdere lidstaten, krijgen structurele financiering en een permanente positie in het EU-bestel. Zijlstra vreest dat dit leidt tot blijvende institutionalisering en minder nationale bewegingsvrijheid.
- EUROPEUM-EDIC: Plannen voor een coördinatie-entiteit voor digitale identiteit en grensoverschrijdende publieke diensten maken dat identiteit, data en AI in één bestuurlijke architectuur samenkomen — iets wat hem een “ongemakkelijk gevoel” geeft vanwege centralisatie van macht over persoonsgegevens.
- Hoger niveau van harmonisatie en regulering: Voorstellen omvatten onder meer het omvormen van BEREC tot een volwaardig agentschap voor digitale netwerken, versnelling van 5G/6G en een EU-breed kader voor cloud en AI. Zijlstra ziet hierin een verschuiving naar meer EU-bevoegdheden en technocratische planning.
Hij wijst ook op de internationale dimensie: Europese plannen sluiten aan bij VN-programma’s die digitalisering en digitale identiteit zien als instrumenten om Sustainable Development Goals te versnellen — bijvoorbeeld de “50-in-5”-campagne om tientallen landen te helpen met digitale identiteit of betaalinfrastructuur. Volgens Zijlstra vergroot die koppeling de afstand tussen beslissingen in Brussel en de kiezers, en beperkt het nationale beleidsruimte.
Hoewel erkenning van afhankelijkheden en investeren in capaciteit legitimiteit hebben, is Zijlstra sceptisch over centrale planning en grootschalige publiek-private entiteiten die langdurige macht en controle concentreren. Hij maakt zich zorgen over energievraagstukken van AI-infrastructuur, de verarmde rol voor ondernemerschap en efficiëntie, en het risico dat overheden burgers steeds meer centraal controleren in plaats van omgekeerd. Zijn voorkeur blijft stedelijk: burgers die de overheid controleren, niet een overheid die alles op een centraal planningsscherm monitort.