Die hele corona enquête zal weinig opleveren
In dit artikel:
De parlementaire enquête rond de coronaperiode oogt meer als een tribunaal dan als een effectief onderzoeksinstrument: getuigen worden gedwongen te verschijnen, moeten onder ede spreken en staan onder de kijkende ogen van een live publiek. Dat zet aan tot een defensieve houding. Veel ondervraagden beroepen zich op geheugenverlies of rekken antwoorden eindeloos uit met lange verhalen om schadelijke details te vermijden. Afgelopen maandag illustreerde burgemeester Hubert Bruls van Nijmegen dat patroon: een voortdurend om den hete brij heen draaien, met weinig concrete informatie en het duidelijk doel ongeschonden terug te keren naar de ambtelijke praktijk.
Het probleem ligt deels bij de samenstelling en werkwijze van de enquêtecommissie. Kamerleden zijn getrainde debatteerders, geen ervaren interviewers; ze creëren zelden de veilige, luisterende sfeer die nodig is om mensen echt te laten vertellen. Vragen zijn vaak bedoeld voor politieke confrontatie of abstracte verantwoording, niet om feiten en motieven concreet boven tafel te krijgen — bijvoorbeeld het vragen naar detailherinneringen van vergaderingen jaren geleden. De verwachting is dat ook premier Mark Rutte bij zijn verhoor vakkundig ontwijkingsstrategieën zal toepassen. Het gevolg: de parlementaire enquête zal naar verwachting weinig diepgravends onthullen en uitmonden in voor de hand liggende aanbevelingen zonder werkelijke leerwaarde.
Als alternatief bevelt de auteur een andere aanpak aan, geïnspireerd op het NIOD-onderzoek naar Srebrenica: een onafhankelijk, wetenschappelijk historisch onderzoek door een team dat onbeperkte archieftoegang krijgt en op grote schaal vertrouwelijke, langdurige interviews voert met betrokkenen, getuigen en getroffenen. Zulke gesprekken vinden plaats in een sfeer van veiligheid en vertrouwen, waarbij onderzoekers luisteren en relazen als bronmateriaal verwerken, met als doel de waarheid te distilleren uit documenten en uiteenlopende ooggetuigenverslagen. De rapportage daarvan — grondig en meerdelig — zou de primaire bron moeten zijn voor lessen uit de coronajaren; de parlementaire enquêteverslagen kunnen daar hooguit één van de bronnen in zijn.
Tot slot waarschuwt de auteur dat andere dossiers niet naar de achtergrond mogen verdwijnen: het toeslagenschandaal en de aardgasproblematiek in Groningen verdienen blijvende publieke en politieke aandacht. De oproep is duidelijk: wie echt wil leren van crises, moet investeren in diepgravend wetenschappelijk onderzoek in plaats van te vertrouwen op theatrale parlementaire verhoren.