Dick Cheney richtte als poppenspeler van George W. Bush grote schade aan in de wereld
In dit artikel:
Richard “Dick” Cheney, vicepresident onder George W. Bush, wordt in dit stuk neergezet als de machtige motor achter veel beslissingen van het Bush‑tijdperk en vooral als de drijvende kracht achter het beleid na 11 september 2001. Journalist Ron Suskind’s begrip van Cheneys werkwijze — dat ook kleine kansen met groot potentieel verlies als zekere dreiging behandeld moeten worden en militair antwoord vereisen — vormt de kern van het oordeel dat Cheney achter de schermen gebeurtenissen regisseerde die ogenschijnlijk spontaan leken maar dat niet waren. Die aanpak staat bekend als de “One Percent Doctrine”.
Cheneys carrière begon in Nebraska en Wyoming (geboren 1941), met een snelle opkomst in de Washingtonse machtspolitiek. Samen met Donald Rumsfeld voerde hij in 1975 het zogenoemde “Halloween Massacre” uit, dat Rumsfeld minister van Defensie en Cheney stafchef van het Witte Huis maakte. Cheney werkte later bij Halliburton en was van 1989–1993 minister van Defensie; die ervaring droeg bij aan zijn invloedrijke rol in het eerste decennium van deze eeuw.
Na de aanslagen van 2001 wist Cheney, volgens veel bronnen en boeken van onder anderen Bob Woodward, president George W. Bush te sturen door informatie en opties zo te presenteren dat hij zijn voorkeuren kon doordrukken. Dat culmineerde in de invasie van Irak — een oorlog die volgens de auteur losstond van 9/11 maar er wel mee werd gelegitimeerd. De gevolgen waren ingrijpend: honderdduizenden doden, het uiteenvallen van Irak’s politieke structuur, opkomst van IS, groeiende Iraanse invloed, en een vluchtelingenstroom die Europa bereikte. Het Amerikaanse unipolaire leiderschap leed reputatieschade door wat de auteur ziet als overmoed en roekeloosheid.
Cheney wordt afgeschilderd als pragmaticus die overtuigingen opzichtig kon aanpassen aan politieke kansen — bijvoorbeeld zijn omslag in de kwestie van het homohuwelijk — en als iemand die nooit volledig verantwoordelijk werd gehouden voor de maatschappelijke en geopolitieke schade die zijn beleid aanrichtte. Het artikel concludeert scherp: één man kon met zijn machtspositie grote, langdurige schade veroorzaken aan het Midden‑Oosten, Europa en het imago van de Verenigde Staten.