Deze voetbalclubs doen ondanks de oorlog nog zaken met de Russen
In dit artikel:
In het Europese profvoetbal blijft de oorlog van Rusland in Oekraïne nauwelijks remmend werken op sportieve en financiële contacten: tussen februari 2022 en februari 2026 wisselden spelerstransfers tussen Russische en Europese clubs voor in totaal 277,2 miljoen euro van eigenaar. Dat blijkt uit een database van Follow the Money, gebaseerd op Transfermarkt; 123,6 miljoen euro stroomde van Europa naar Rusland, 153,6 miljoen euro andersom. Hoewel dit bedrag klein is vergeleken met de wereldwijde transfermarkt (ongeveer 7,5 miljard euro per jaar), levert elke transactie politieke en economische winst op voor Moskou, zo waarschuwen onderzoekers en analisten.
Een recent symbool van die dynamiek is doelman Matvey Safonov, die voor PSG in Qatar furore maakte door vier strafschoppen te keren en vlak daarna voor circa 20 miljoen euro overkwam van FK Krasnodar — volgens Follow the Money de duurste transfer tussen Russische en Europese clubs sinds de invasie. Franse media stelden dat dergelijke transfers het Kremlin PR-voordelen bezorgen. Frankrijk is het land met het grootste transactievolume richting Rusland (ongeveer 63 miljoen euro). AEK Athene ontving het meeste, 22,1 miljoen euro voor twee verkopen aan Russische clubs; ook FC Twente en Real Sociedad deden voor zo’n 13 miljoen euro zaken met Rusland.
De handel is niet alleen commercieel omstreden, maar ook geopolitiek beladen. Veel Russische clubs zijn verbonden met staatsbedrijven of elites die nauwe banden hebben met het Kremlin: Zenit is in handen van Gazprom, Spartak van Lukoil, Lokomotiv van de Russische Spoorwegen en Akhmat van de Tsjetsjeense machthebber Ramzan Kadyrov. Onderzoekers spreken daarom van een staatsinfuus of ‘financiële doping’, omdat overheidsgeld clubs overeind houdt en daarmee indirect de Russische economie en mogelijk de oorlogsinspanningen ondersteunt. Follow the Money en andere journalisten tonen verbanden tussen clubfinanciering en militaire bevoorrading.
Tegelijkertijd heeft het Westen betalings- en sanctiemaatregelen afgekondigd tegen Russische elites, waardoor transfers juridisch en moreel risicovol zijn geworden. Europese clubs rechtvaardigen transacties vaak met het argument dat FIFA-transfers zijn toegestaan. Critici, zoals hoogleraar Simon Chadwick en juristen als Roy Vermeer, vinden dat FIFA en UEFA te terughoudend optreden: Russische teams zijn van internationale competities uitgesloten, maar de Russische bond blijft vertegenwoordigd in bestuurlijke organen en spelsituaties zoals tijdelijke contractschorsingen voor spelers bleven beperkt. FIFPro pleitte tevergeefs voor ruimere mogelijkheden voor contractbeëindiging van in Rusland ondertekende spelers.
De bereidheid om met Russische clubs te handelen neemt wel af: in het huidige seizoen is het volume in transfersommen gehalveerd ten opzichte van eerdere oorlogsjaren. Regionaal blijken vooral clubs uit Zuid- en Zuidoost-Europa bereid zaken te doen; landen als Griekenland, Portugal en Bulgarije noteerden veel transacties, terwijl Scandinavische en Baltische landen vrijwel geen deals sloten. Binnen clubs speelt soms een moreel debat: FC Utrecht weigerde vorig jaar een miljoenenbod van Spartak, terwijl FC Twente wel Manfred Ugalde verkocht ondanks intern ongemak.
Spelers voelen de spanning persoonlijk: Illja Zabarnyi, Oekraïens linksback bij PSG, weigert buiten professionele vereisten vriendschap te onderhouden met Russische teamgenoten en steunt isolatie van het Russische voetbal zolang de oorlog duurt. Onderzoekers concluderen dat voetbalbesturen en clubs voor moeilijke keuzes staan: commerciële belangen, regels van internationale bonden en ethische verantwoordelijkheden lopen door elkaar en roepen vragen op over de rol van sport in geopolitieke conflicten.