Deze Israëliërs en Palestijnen zijn verstoten door hun familie en vrienden, maar blijven strijden voor duurzame vrede in hun land
In dit artikel:
Te midden van het huidige geweld blijven voormalige Israëlische en Palestijnse strijders vasthouden aan een andere weg: geweldloos contact en politiek verzet. Chen Alon (57), Sulaiman Khatib (54) en Iris Gur (60) stonden afgelopen week in Nederland om hun beweging Combatants for Peace toe te lichten — een organisatie die zij in 2006 oprichtten na de Tweede Intifada en die twee keer voor de Nobelprijs voor de Vrede werd voorgedragen. Hun doel: menselijkheid en dialoog terugbrengen waar haat en uitzichtloosheid regeren.
De drie komen uit tegengestelde achtergronden. Khatib groeide op nabij Jeruzalem, sloot zich als tiener aan bij Fatah en zat jarenlang gevangen; in gevangenschap schakelde hij over op geweldloos verzet. Alon, afkomstig uit een familie van Holocaustoverlevenden, diende als majoor in een Israëlische tankeenheid en weigerde later inzet in bezet gebied, waarmee hij zelf ook gevangenis ervoer. Gur, ook van Joodse afkomst en opgegroeid met het verhaal van slachtofferschap, raakte door persoonlijke confrontaties met de militaire dienst van haar dochter wakker geschud.
Hun ontmoeting begon in wantrouwen: tegenstanders vonden elkaar eerst geheim en voorzichtig, soms verdacht van spionage of verraad. Langzaam ontdekte de groep een gedeelde erfenis van trauma’s — de Joodse herinnering aan de Holocaust tegenover de Palestijnse Nakba van 1948 — en het besef dat geweld aan beide kanten diepe littekens nalaat. Zoals Gur scherp stelt: “Ze hebben hekken gebouwd, niet alleen op de grond, maar vooral in onze hoofden.” Die mentale afsluiting is volgens hen een van de grootste barrières voor verzoening.
De reactie op 7 oktober 2023 legde die spanningen bloot. Alle drie voelden instinctieve woede, afschuw en verwarring: Alon zegt dat zijn eerste reflex terug naar zijn tank te willen keren, Gur schreeuwde van verdriet en wrok, Khatib voelde aanvankelijk ook opwinding over Palestijns verzet maar worstelde meteen met schuld bij beelden van slachtoffertjes. Toch kozen ze er na korte tijd opnieuw voor elkaar op te zoeken. Die beslissing noemden ze het keerpunt: verantwoordelijkheid en gezamenlijke inzet wonnen het van directe wraakgevoelens.
Ondanks risico’s en sociale uitsluiting is Combatants for Peace sindsdien gegroeid. Wereldwijd bestaan ondersteuningsgroepen, in Amerika en in tien Europese landen, en ook in Nederland is een afdeling “Vrienden van Combatants for Peace” in oprichting vanuit Amsterdam. De Nederlandse tak organiseert bijeenkomsten, educatie, herdenkingen (zoals rond de Nakba), demonstraties en fondsenwerving voor projecten in zowel Palestina als Israël. Voorzitter Lysan Boshuyzen (33) wijst op de verharding van het debat in Nederland: mensen durven vaak niet te komen uit angst voor repercussies binnen hun gemeenschap. De Joods-Nederlands-Israëlische Noomi van Gelder (64) illustreert de persoonlijke kosten: wie zich uitspreekt, riskeert verstoting en ruzies met familie en vrienden.
Alon verblijft negen maanden per jaar in Nederland als visiting scholar aan de Universiteit van Amsterdam en erkent de les die het leven in vrede hem leert: het bestaan van een normaal, veilig dagelijks leven is niet vanzelfsprekend en biedt een model van wat er mogelijk is. De beweging benadrukt dat de meerderheid van de mensen in het gebied tussen de rivier en zee enkel naar bestaanszekerheid en veiligheid verlangt, en dat verandering vaak bij enkelen begint die durven anders te handelen.
Hun boodschap is helder en pijnlijk: het grootste gevaar is de overtuiging dat alles hopeloos is. Daarom blijven zij pleiten voor geweldloze verzetstactieken, wederzijds begrip en collectieve bevrijding — ook als dat betekent dat ze zich daarvoor eenzaam en verraderlijk voelen in hun eigen samenleving.