Defensie weigert dossiers van burgerslachtoffers Hawija te onderzoeken voor compensatie
In dit artikel:
Op 3 juni 2015 voerde een Nederlandse F-16 een aanval uit op een gebouw in Hawija (provincie Kirkuk, Irak) dat door IS zou zijn gebruikt voor het maken van autobommen; de daaropvolgende explosie kostte naar schatting minstens 85 burgers het leven. Ruim tien jaar later houdt het ministerie van Defensie vol dat het onmogelijk is om te achterhalen welke individuele Irakezen precies schade of verlies hebben geleden door dat bombardement, en weigert het om individuele schadevergoedingen uit te keren. In plaats daarvan zijn alleen vrijwillige, gemeenschapsgerichte projecten gefinancierd, geen persoonlijke compensaties voor nabestaanden of gewonden.
Onderzoek van Investico, BOOS en De Groene Amsterdammer in Irak laat zien dat die stelling niet strookt met de beschikbare bewijzen. In Kirkuk bestaat een overheidscompensatiekantoor dat dossiers, overlijdensaktes en andere documenten beoordeelt wanneer Irakezen om schadevergoeding vragen; een commissielid zei dat Nederlandse onderzoekers de eerste uit Nederland waren die daar kwamen. De Iraakse ngo Ashor heeft een database opgebouwd met gegevens van meer dan driehonderd slachtoffers, en directeur Mohammed al‑Bayati verklaarde herhaaldelijk bereid te zijn geweest die informatie te delen. Ook onderzoekers van de Universiteit Utrecht en de Nederlandse ngo PAX deden veldonderzoek en leverden een rapport dat in Den Haag is gepresenteerd, zo blijkt uit de publicatie.
Desondanks nam Defensie geen contact op met deze lokale instanties en weigerde het de aangereikte dossiers te raadplegen. Het ministerie argumenteert dat er juridisch onvoldoende zekerheid is over causaliteit en verwijst daarnaast naar de discretionaire bevoegdheid van de staat bij schaderegeling; op vragen over de precieze juridische maatstaf blijft het vaag. Dat is opvallend omdat Defensie in eerdere missies — onder meer in Afghanistan en ook bij andere incidenten in Irak — wel ex‑gratiabetalingen aan getroffen burgers deed zonder formele schuldvaststelling.
De bevindingen schetsen een patroon van gemiste mogelijkheden: er bestaan overlijdensaktes, medische dossiers en compensatiearchieven die individuele identificatie van slachtoffers mogelijk maken, maar Nederland heeft die bronnen niet onderzocht of benut. Daarmee blijven veel getroffen Irakezen zonder individuele erkenning of schadeloosstelling, ondanks beschikbare lokale documentatie en eerdere Nederlandse bereidheid elders tot uitkeringen.