Defensie krijgt steeds meer voet aan de grond op de universiteitscampus. Wat betekent dat voor de universiteit?

woensdag, 29 april 2026 (12:15) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

Op het Artillerie Schietkamp bij ’t Harde voltooiden uni-studenten onlangs de tien weken durende Nationale Weerbaarheidstraining (NWT): een intensieve mix van schietoefeningen, overlevingstechnieken en theorie die deelnemers tot reservist maakt. De NWT — onderdeel van minors die universiteiten aanbieden — is bedoeld om het Nederlandse reservistenbestand op te schalen van ongeveer 8.000 naar 20.000 in 2030. De Rijksuniversiteit Groningen biedt de training al aan; de Universiteit Leiden volgt vanaf september 2026 en andere universiteiten voeren gesprekken. Eindmarsen, barettenparades en mediagekozen beelden horen bij de nieuwe praktijk, terwijl studenten zoals Sybren (24) en Jacomijn (19) vertellen dat ze zowel fysieke hardheid als een ander begrip van veiligheid hebben opgedaan.

De opmars van Defensie binnen de academie speelt zich af tegen een politiek-economisch landschap waarin defensie-uitgaven sterk stijgen (van circa 20 naar bijna 27 miljard binnen twee jaar) terwijl onderwijsfinanciering is gekrompen. In politieke plannen — onder meer het coalitieakkoord van kabinet-Jetten — staat de oprichting van een Nederlandse defensie-innovatieautoriteit naar voorbeeld van DARPA, met tot tien procent van het defensiebudget bestemd voor strategisch gestuurd onderzoek. Universiteiten en Defensie bouwen daarom snel samenwerkingsverbanden: militaire minors, ‘veiligheidscampussen’, innovatiehubs en een landelijke raamwerkovereenkomst die door Universiteiten van Nederland met het ministerie wordt voorbereid.

Dat brengt scherp debat in de academische wereld. Voorstanders, waaronder docenten van universiteiten die de minoren opzetten, zien een maatschappelijke taak: wetenschappers en studenten moeten meedenken over nationale weerbaarheid en kunnen via onderwijs en onderzoek bijdragen aan veiligheid. Jeroen Wolbers, onderwijsdirecteur van de defensieminor in Leiden, benadrukt dat opleidingen worden aangevuld met reflectieve vakken en dat studiepunten worden toegekend op basis van die reflectie, niet louter op fysieke prestaties.

Tegelijkertijd bestaat grote weerstand en zorg over de gevolgen voor wetenschappelijke onafhankelijkheid, publieke rol van de universiteit en ethiek. Kritische medewerkers en studentenorganisaties waarschuwen dat defensiegeld de agenda kan bepalen: wie geld heeft, bepaalt welke onderzoeksvragen worden gesteld en welke projecten doorgaan. Onderzoekers als Tim de Winkel en leden van het collectief Organize the RUG waarschuwen voor machtsverschillen en het risico dat universitaire instellingen zich gaan aanpassen aan militaire prioriteiten om geld binnen te halen. De zorgen omvatten ook wervingseffecten: deelnemers aan de NWT ontvangen een vergoeding van circa 2.200 euro per maand, een bedrag dat volgens critici een sterke prikkel vormt voor financieel kwetsbare studenten om zich voor militaire taken te engageren.

Historische en internationale voorbeelden versterken de angst voor een ‘glijdende schaal’. Studies en boeken over Amerikaanse en Israëlische universiteiten tonen hoe militaire financiering onderzoek en onderwijs kan kantelen, waarbij kritische reflectie wordt ingeperkt en academische functies soms in dienst komen te staan van oorlogstechnologie en legitimatie van geweld. Tegenover die verwijzingen stelt Wolbers dat het Nederlandse politieke bestel en de checks-and-balances van de democratische rechtsstaat een buffer kunnen vormen, maar hij erkent dat de verschuiving in het financieringslandschap reëel is.

De spanning kwam recent zichtbaar tot uiting in publieke bijeenkomsten: een fel besproken LinkedIn-post van een Leidse docent leidde tot een debat over het schrappen van een kritisch georiënteerde minor terwijl er wél een defensiesamenwerking werd opgestart. In paneldiscussies klinken vragen als: kunnen universiteiten hun kritische taak behouden als ze structureel afhangen van Defensie? Michiel Bot (Tilburg) waarschuwt dat hoogleraren met defensiegeld soms publiekelijk de lijn van ministeries uitdragen, terwijl studenten niet altijd doorhebben dat er een ander belang wordt ingebracht.

Naast institutionele zorgen is er een breed scala aan ervaringen bij deelnemers zelf. Voor sommige studenten leidde de NWT tot meer zelfvertrouwen en tot daadwerkelijke loopbaankeuzes — Sybren solliciteerde na afloop bij de landmacht — terwijl anderen moeite hebben met de hiërarchische cultuur en het sluiten van informatie. Media-inzet, ceremonies en het systematisch inzetten van trainees als ‘ambassadeurs’ maken duidelijk dat de NWT ook een wervings- en legitimatie-instrument is.

Kortom: in korte tijd versmelt defensiepraktijk met universitaire onderwijs- en onderzoeksdomeinen. De kernvraag die academici en bestuurders nu bezighoudt is normatief en institutioneel: willen universiteiten dienstbaar meewerken aan staatsveiligheid en strategisch militair onderzoek, of behouden ze eerst en vooral een onafhankelijk, kritisch en openbaar karakter? De uitkomst hangt af van politieke keuzes, transparantie van samenwerkingen, en welke waarborgen universiteiten zichzelf opleggen om academische autonomie en het publieke debat te beschermen.