Deborah Kalkoene: 'Vriendschappen zijn gestopt na 7 oktober'
In dit artikel:
Deborah Kalkoene, een Amsterdamse met Joodse wortels, spreekt op 4 mei tijdens de herdenking in Buitenveldert over het lot en de veerkracht van haar grootouders. Het interview maakt deel uit van een reeks portretten van schrijver Robert Vuijsje over Amsterdammers en hun snel veranderende stad. Kalkoene beschouwt het kleine plein in het Gijsbrecht van Aemstelpark als een 'thuiswedstrijd': Buitenveldert is de buurt waarin ze opgroeide en die zij omschrijft als een geconcentreerde Joodse gemeenschap met sjoel, scholen en veel bekende gezichten.
Haar betrokkenheid bij herinneringscultuur kreeg eerder dit jaar extra aandacht toen ze op 27 januari, Holocaust Remembrance Day, een uur mocht spreken in de Tweede Kamer — een contact dat voortkwam uit een korte ontmoeting met Mark Rutte bij een herdenking in de Hollandsche Schouwburg. Ze wilde daarmee de stilgeworden stemmen van haar familie vertegenwoordigen en de verhalen levend houden.
Kalkoene vertelt dat haar grootouders tijdens de oorlog als jonge mensen werden opgepakt en achtereenvolgens in Nederlandse kampen als Vught, Westerbork en het buitenkamp Moerdijk werden vastgehouden. Haar grootmoeder werkte in Vught in het Philips-Kommando en overleefde mede doordat ze in fabriekswerk werd ingezet; haar grootvader was onder meer in Auschwitz en overleefde door te mogen werken. Na de bevrijding ontmoetten zij elkaar in de Ysbreeker aan de Weesperzijde, een ontmoetingsplaats voor overlevenden. In 1949 trouwden ze en bouwden ze, ondanks het enorme verlies van familie en het trauma, een nieuw leven op in Amsterdam en later met kinderen en kleinkinderen.
De verhalen binnen haar familie waren lange tijd zwijgend; haar grootouders droegen kampnummers op hun armen maar spraken er nauwelijks over. Pas na hun overlijden raakte Kalkoene door behulp van een collega geïnteresseerd in genealogisch en oorlogsarchiefonderzoek, waarna ze locaties bezocht waar haar familie verbleef. Die bezoeken ervaart ze als tastbaar contact met haar geschiedenis.
Kalkoene belicht ook de pijnlijke kanten van de Nederlandse geschiedenis: een overgrootvader van moederskant werd opgepakt na deelname aan de Februaristaking en vanuit zijn woning in een tram van zijn werkgever (GVB) naar de Hollandsche Schouwburg gebracht — voor haar een schrijnend voorbeeld van medewerking van gemeentelijk personeel aan deportaties.
Over hoe zij Amsterdam nu ervaart: ze woont in Amstelveen, dat zij ziet als een verlengstuk van Buitenveldert, met nog steeds veel Joodse bewoners en een sterk gemeenschapsgevoel dat gedeelde zorgen en trauma's opvangt. Tegelijk is de stad voor haar dubbel: ze koestert de band met de plek waar familie terugkeerde na de oorlog, maar worstelt met het besef dat lokale instanties bij deportaties betrokken waren. De recente gebeurtenissen sinds 7 oktober hebben haar beeld van de stad verder veranderd; het openbare leven voelt voor haar onveiliger en polariseert relaties en gesprekken, waarbij discussies over Israël en Gaza soms leiden tot verbroken vriendschappen.
Op 4 mei wil ze in Buitenveldert vooral het levensverhaal van haar grootouders schetsen: de gruwelijkheden die ze meemaakten, de Dodenmarsen en het verlies, maar ook hoe zij ondanks gebrek aan hulp opnieuw een gezin en toekomst opbouwden. Haar boodschap benadrukt enerzijds het doorgeven van herinnering en anderzijds de mogelijkheid van herstel na onvoorstelbaar trauma.