De zwakke rekenmeesters van het CPB helpen GroenLinks-PvdA en benadelen JA21 en BBB
In dit artikel:
Bij het doorrekenen van verkiezingsprogramma’s zouden twee stappen cruciaal moeten zijn: eerst bepalen hoe een programma de economische groei en het vertrouwen van bedrijven beïnvloedt; daarna nagaan of de gevolgen voor begrotingstekort en staatsschuld zó ongunstig zijn dat financiële markten reageren. Volgens deze analyse faalt het Centraal Planbureau (CPB) vooral in die eerste stap.
Het CPB houdt in zijn model Saffier de aanbodkant van de economie – productie, investeringen en bedrijfsactiviteiten – voor alle partijen gelijk. Daardoor veronderstelt het geen verschil in trendgroei tussen bijvoorbeeld GroenLinks–PvdA en JA21/BBB. Dat staat in scherp contrast met het Britse Office for Budget Responsibility (OBR), dat bij elke beleidsvariant ook subjectieve schattingen opneemt van het ondernemersvertrouwen en mogelijke effecten op productiviteit. Het OBR gebruikt daarvoor ook enquêtes en scenario’s over bijvoorbeeld energiekosten en investeringsbelemmeringen; het CPB doet dat niet.
Een concreet voorbeeld: JA21 stelde bij de vorige verkiezingen voor om de loondoorbetaling bij ziekte terug te brengen tot twaalf maanden. Het CPB verwerkt dit enkel als een budgettaire verschuiving (minder werkgeverskosten, meer uitkeringsuitgaven) en negeert het effect op het ondernemersrisico en de werkgelegenheid. Daardoor krijgt JA21 geen krediet voor een maatregel die ondernemersrisico’s vermindert en mogelijk werkhervatting stimuleert. Dergelijke gedrags- en investeringsreacties blijven in de CPB-doorrekening onzichtbaar, wat bevooroordeelde uitkomsten oplevert: ‘pro-business’-partijen scoren te laag en partijen waarvan beleid dure energie of streng stikstofbeleid bepleit, komen onterecht gunstig uit de bus.
De auteur wijst ook op institutionele zwakte: Saffier heeft weinig aandacht in internationale vakliteratuur en wordt buiten Nederland nauwelijks geciteerd, terwijl het CPB ooit hoog aangeschreven stond. Daarmee is volgens de kritiek kwaliteit ingeboet ten opzichte van de tijden van Tinbergen en andere bekende planbureaumakers.
De praktische consequentie is zwaarwegend: als een ambitieus klimaat- of energiebeleid de concurrentiepositie aantast en de trendgroei met bijvoorbeeld 0,3 procent per jaar lager uitvalt, betekent dat over een kabinetsperiode tientallen miljarden aan lagere belastingopbrengsten (in het artikel genoemd: circa 14 miljard). Zonder zulke aanpassingen in de modellen ziet het publiek niet welke risico’s voor financiering van zorg, onderwijs en sociale voorzieningen er werkelijk bestaan.
De oproep is helder: het CPB zou net als het Britse OBR expliciet effecten op vertrouwen en productiviteit moeten meenemen, en scenario’s moeten tonen waarin beleidskeuzes wél leiden tot afwijkende groeitrends. Alleen dan kunnen doorrekeningen eerlijk aangeven wat politieke programma’s economisch werkelijk betekenen en welke gevolgen dat heeft voor begroting en verzorgingsstaat. De schrijver kondigt een vervolg aan met een nadere vergelijking tussen GL–PvdA en JA21/BBB, en zijn bedenkingen bij de VVD.