De zeventiende-eeuwse vrouw had wel wat beters te doen dan liefdesbrieven lezen, toont een serieuze blik op dit schilderij
In dit artikel:
In een klein paneel van Frans van Mieris uit 1676 bleek de ogenschijnlijke brieflezende vrouw geen romanticus in afwachting van een liefdesbericht, maar een lezeres van de Oprechte Haarlemse Courant. Kunsthistoricus Menno Jonker herkende het krantenlogo toen conservator Lara Yeager‑Crasselt een foto van het werk op LinkedIn plaatste; samen onderzochten ze het schilderij en publiceerden de uitkomsten in Oud Holland.
De vondst zet een hardnekkige praktijk in een ander licht: vanaf de negentiende eeuw werden vrouwen op Hollandse genrestukken vaak aangeduid als ontvangers van liefdesbrieven — een interpretatie die paste bij toenmalige ideeën over vrouwen en huishouden. Oudere beschrijvingen van hetzelfde Van Mieris‑werk noemden de vrouw nog expliciet “die de Courant leest”, maar later kreeg de scène een romantische lading. Jonker en Yeager‑Crasselt stellen dat die latere herinterpretatie de werkelijkheid verhulde: vrouwen lazen en consumeerden nieuws en namen dus actief deel aan de publieke informatiestroom.
Historische context ondersteunt die lezing. In de zeventiende eeuw werden kranten steeds toegankelijker; de Oprechte Haarlemse Courant was een van de invloedrijkste uitgaven en verscheen in 1676 meerdere keren per week. Op een prent van het schilderij blijkt mogelijk een ‘Sa’, wat op de zaterdageditie zou wijzen. Jonker onderzocht ook de koppen en letterstijl — een hoofdletter N suggereert mogelijk berichtgeving over Napels — en speculeert dat het belangrijkste nieuws in een zaterdageditie uit 1676 het overlijden van Michiel de Ruyter had kunnen zijn. Omdat het geschilderde krantje erg klein is (het paneel meet 33×27 cm), blijft zulke identificatie onmogelijk zeker.
Jonker en Yeager‑Crasselt vonden bovendien dat kranten in zeventiende‑eeuwse schilderijen vaker voorkomen dan gedacht, vooral bij genre‑schilders als Adriaen van Ostade, Jan Steen en Pieter de Hooch. Vaak tonen die taferelen mensen van lagere komaf die lezen of naar een voorlezing luisteren — een keuze die paradoxaal is omdat geletterdheid juist minder voorkwam onder de armen. De onderzoekers suggereren dat welgestelde opdrachtgevers zulke scènes lieten maken met dubbelzinnige bedoelingen: de krant symboliseerde zowel mondigheid en wereldburgerschap als een vluchtig amusement dat niet al te serieus genomen moest worden.
Belangrijk is de conclusie over vrouwen: ze zijn in deze werken niet louter passieve ontvangers van sentiment, maar actieve deelnemers aan nieuwsconsumptie en gesprek. Van Mieris’ afbeelding is bijzonder omdat de vrouw mogelijk uit de hogere klasse komt en een krant voorleest aan een man — iets wat in latere, negentiende‑eeuwse lezingen “not done” leek. Jonker ziet de herkenning van de krant als een oproep aan kunsthistorici: wees terughoudend met ingeburgerde titels en blijf beelden opnieuw en kritisch bekijken.