De zeventiende-eeuwse vrouw had wel wat beters te doen dan liefdesbrieven lezen, bleek na een serieuze blik op dit schilderij

vrijdag, 1 mei 2026 (10:03) - Trouw

In dit artikel:

Een schilderij van Frans van Mieris uit 1676, lang opgevat als een vrouw die een liefdesbrief leest, blijkt mogelijk iets anders te tonen: een vrouw die een krant bestudeert. Kunsthistoricus Menno Jonker herkende het logo van de Oprechte Haarlemse Courant toen hij het werk online zag — het hing eerder in een museum in Baltimore en was door conservator Lara Yeager-Crasselt gedeeld — en spoorde met haar na of kranten vaker voorkomen in zeventiende-eeuwse genrestukken. De bevindingen verschenen in het vakblad Oud Holland.

De identificatie kantelt niet alleen de betekenis van dit specifieke doek (33 x 27 cm), maar zet ook vraagtekens bij een breed gebruikte interpretatie van vrouwen op Nederlandse goudgerande genreschilderijen: dat zij vooral passieve ontvangers van amoureuze brieven zouden zijn. Jonker en Yeager-Crasselt laten zien dat de vroegere titels van het werk wisselden — in de vroege achttiende eeuw heette het nog expliciet een vrouw die de courant leest — maar in de negentiende eeuw veranderde die lezing in een brieflezende vrouw, passend bij toenmalige huiselijke genderidealen. “Hoe we denken over zeventiende-eeuwse schilderkunst is nog steeds bepaald door dat frame,” zegt Jonker.

Historisch past de krant in het beeld: in de zeventiende eeuw nam de verspreiding van kranten toe en kosmopolitische en lokale nieuwsconsumptie werd onderdeel van het dagelijkse leven. De Oprechte Haarlemse Courant verscheen in 1676 meerdere keren per week; details op een latere prent van het schilderij geven aanwijzingen dat het de zaterdageditie is. Omdat de afgebeelde tekst met een hoofdletter N begint, opperen de auteurs speculatief dat het over Napels kan gaan — mogelijk nieuws dat admiraal Michiel de Ruyter overleden was — maar zekerheid is vanwege het kleine formaat van het afgebeelde krantenfragment onhaalbaar.

Jonker en Yeager-Crasselt plaatsten het werk in een groter beeld: kranten komen vaker voor in zeventiende-eeuwse schilderijen, bij onder anderen Adriaen van Ostade, Jan Steen en Pieter de Hooch. Interessant is dat veel van die voorstellingen lagere klassen tonen, terwijl het lezersonderzoek uit die tijd laat zien dat geletterdheid onder welgestelden hoger was. Mogelijk lieten welgestelde opdrachtgevers dergelijke scènes maken vanuit dubbelzinnige gevoelens over het nieuwsmedium: enerzijds nuttig, anderzijds vluchtig en amusant — thema’s die goed passen bij genrestukken met een licht ironische toon.

Belangrijker nog is de conclusie dat vrouwen in deze voorstellingen vaak actief deelnemen aan nieuwsconsumptie: lezen, luisteren en discussiëren, en dus deel uitmaakten van een bredere cultuur van informatie en denken. Jonker hoopt dat deze herkenning uitnodigt tot hernieuwde blik op veel schilderijen die automatisch als “liefdesbriefscènes” zijn geëtiketteerd: heronderzoek kan bestaande aannames over gender en publieke kennis in de zeventiende-eeuwse kunstgeschiedenis corrigeren.