De wederopbouw van een belastingparadijs: hoe Nederland na de oorlog een fiscale vluchthaven werd
In dit artikel:
Tot aan 1940 verdedigde de Nederlandse financiële sector bankgeheim en saboteren van belastingverdragen — uit angst dat openheid het land als toevluchtsoord voor buitenlandse vermogens zou beëindigen. Na de Tweede Wereldoorlog veranderde dat beeld: minister van Financiën Piet Lieftinck schortte in 1945 het bankgeheim op om oorlogswinstenaars te pakken; politiek en publiek steunden het beleid zo sterk dat het bankgeheim in 1950–51 definitief werd afgeschaft. Alleen zeer rechtse politici en banksfeiten pleitten nog voor herstel van de geheimhouding.
De bancaire lobby schakelde vervolgens van een geheimhoudingsmodel naar een andere strategie om buitenlandse kapitaalstromen aan te trekken. Vanaf de jaren 1950 bouwde Nederland een fiscaal aantrekkelijk instrumentarium: een uitgebreid netwerk van belastingverdragen, aantrekkelijke rulings (voorafgaande afspraken met de Belastingdienst) en een ruime deelnemingsvrijstelling. Waar vóór de oorlog slechts drie verdragen bestonden (België, Zweden, Hongarije), had Nederland tegen het eind van de twintigste eeuw verdragen met tientallen landen; in 2022 waren dat er 94. De verdragen beperkten vaak bronheffing op dividenden, rente en royalty’s tot 0 of 5 procent, wat grensoverschrijdende winstverschuivingen vergemakkelijkte.
Belangrijke wendingen: in 1970 werd de drempel voor de deelnemingsvrijstelling verlaagd van 25 naar 5 procent. De vrijstelling vereiste alleen dat een buitenlandse dochter “aan een belasting was onderworpen”, ook als dat in de praktijk neerkwam op extreem lage tarieven of zelfs een afspraak van 0 procent. Fraude of het feit dat er feitelijk geen belasting betaald werd, stond de toepassing van de vrijstelling vaak niet in de weg. Controle door de Nederlandse fiscus bleef beperkt, waardoor multinationals vaak effectief nergens belasting over buitenlandse dochterwinsten hoefden te betalen.
Rulings werden vanaf 1950 – met de eerste praktijk van hoofdinspecteur A.F. Tuk – routinemiddel om buitenlandse bedrijven, vooral uit de VS, gunstige fiscale behandeling te garanderen. Deze praktijk werd actief gepromoot: trustkantoren, buitenlandse fiscalisten en het Commissariaat voor Buitenlandse Investeringen (CBIN) werfden klanten en verwezen naar het Nederlandse belastingvoordeel. In de jaren negentig tilde staatssecretaris Willem Vermeend (PvdA) deze koers expliciet naar beleidsniveau: hij prees en bevorderde wetswijzigingen die het fiscale klimaat nog aantrekkelijker maakten, en eind 1996 traden diverse regelingen in werking die multinationals extra voordelen boden.
Het resultaat: een groot en groeiend aantal brievenbusmaatschappijen in Nederland (van ruim 600 in 1977 naar ruim 10.000 in 1999) en een belastingstelsel dat multinationals structureel faciliteiten bood om winsten te verschuiven en belasting te vermijden. Waar het pre‑oorlogse Nederlandse belastingparadijs steunde op geheimhouding, functioneerde het naoorlogse paradijs via juridische constructen, verdragen en bestuurlijke afstemming tussen overheid en financiële sector.
De ontwikkeling illustreert hoe politieke keuzes, fiscale regelgeving en actieve promotie door overheid en sector samen een nieuw soort belastingparadijs creëerden — minder afhankelijk van bankgeheim, maar even effectief in het aantrekken van internationaal kapitaal.