De VN erkent nu de misdaad van de slavernij, maar alleen erkenning is geen genezing

donderdag, 26 maart 2026 (11:54) - Joop

In dit artikel:

Dinsdag besloot de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties met 123 stemmen vóór, drie tegen en 52 onthoudingen dat de trans-Atlantische slavenhandel moet worden aangeduid als de ernstigste misdaad tegen de menselijkheid die ooit heeft plaatsgevonden. Het besluit oogstte lof als een historisch moment, maar kreeg ook kritiek omdat Nederland zich onthield — ondanks dat het land eerder als enige Europees land formeel excuses aanbood en 200 miljoen euro toezegde voor kennis- en bewustwordingsprojecten.

De auteur, zelf afstammeling van wat hij liever omschrijft als de “allesomvattende mens” en met wortels in Aruba en Suriname, beschouwt de Nederlandse onthouding als symptomatisch: publieke excuses en herdenkingen bestaan, maar de structurele gevolgen van slavernij worden niet als hedendaagse verantwoordelijkheid gezien. Juridische en politieke bezwaren tegen herstelbetalingen worden erkend — internationaal recht en staatsvoorzichtigheid spelen een rol — maar mogen volgens hem niet dienen om de werkelijke problemen te verdoezelen.

In de discussie voert vaak het argument dat er “geen hiërarchie van gruweldaden” moet worden gemaakt. De schrijver stelt daarentegen dat de trans-Atlantische slavenhandel unieke, meetbare kenmerken heeft die erkenning vereisen: een onafgebroken duur van meer dan drie eeuwen; een schaal van miljoenen mensen ontvoerd van een heel continent; juridische verankering waarbij slavernij door staten werd beschermd; en erfelijkheid, waardoor slaverschap van generatie op generatie werd doorgegeven. Het erkennen van deze feiten is volgens hem geen vergelijking van slachtoffers, maar een noodzakelijke analyse om de doorwerking vandaag te begrijpen.

Concrete voorbeelden van die doorwerking zijn zichtbaar in de moderne samenleving: discriminatie op de arbeidsmarkt (mensen met een Surinaamse of Antilliaanse achternaam krijgen minder vaak een uitnodiging voor een sollicitatiegesprek), lagere inschattingen van kinderen van Afrikaanse afkomst in het onderwijs en beleid dat zelden gezamenlijk met getroffen gemeenschappen wordt gemaakt. Dit, stelt de auteur, is de meetbare nalatenschap van slavernij.

Wat nu? De VN-resolutie is door de Ghane­­se president Mahama neergezet als een stap naar genezing en gerechtigheid. Voor echte verandering pleit de schrijver echter voor “actieve herinnering” die niet louter ceremonieel blijft: systematische onderwijsvernieuwing, doelgericht antidiscriminatiebeleid, inclusieve lokale besluitvorming en het in kaart brengen wie vandaag nog de prijs van slavernij betaalt. De slotvraag is scherp: kiest Nederland er opnieuw voor zich te onthouden, of gaat het land eindelijk verder dan excuses en erkent het ook de actuele gevolgen?