De verstilde onkenbaarheid in 'The Man Who Fell to Earth' was een cruciaal thema voor Nicolas Roeg
In dit artikel:
Halverwege de jaren zeventig zag regisseur Nicolas Roeg tijdens het zappen een korte BBC-reportage over David Bowie die hem meteen deed beslissen: de zanger moest de hoofdrol krijgen in zijn volgende film. Roeg (1928–2018) was gefascineerd door een beklemmend beeld van Bowie achter in een limousine, bleek en afwezig, melk drinkend uit een pak—een moment dat de eenzaamheid en het ongrijpbare aura van Bowie leek te vangen en dat Roeg geschikt achtte voor Thomas Jerome Newton, de alien uit The Man Who Fell to Earth.
The Man Who Fell to Earth (naar de roman van Walter Tevis, filmuitgave midden jaren zeventig) groeide uit tot een cultsciencefiction: geen kaskraker en vanaf de première becommentarieerd vanwege een trage, weinig expliciete plot, maar steeds opnieuw herontdekt door nieuwe generaties. Bowie draagt veel scènes dankzij zijn charisma; hij belichaamt de buitenstaander die niet alleen de aarde niet begrijpt maar ook zichzelf verliest. Newton landt op aarde omdat zijn planeet kampt met een tekort aan water, maar na een crash moet hij eerst een bedrijf optuigen om zijn terugkeer te financieren. In dat proces raakt hij verstrikt in hebzucht, heimwee, verslavingen en vervreemding; de film laat veel impliciet en werkt met tijdsprongen en onverwachte overgangen, wat de mystieke, onrustige sfeer versterkt.
Die thematiek is herkenbaar in het hele oeuvre van Roeg. Vanaf zijn beginjaren op filmsets werkte hij zich op—onder meer als tweede cinematograaf bij Lawrence of Arabia—en regisseerde tussen 1970 en 2007 dertien speelfilms. Centraal in zijn werk staan eenlingen die moeite hebben werkelijk contact te maken met hun omgeving: ze raken opgesloten in hun eigen beleving, zien werelden die anderen niet zien of ervaren tijd als iets buigzaams. Roeg illustreerde dat telkens weer, of het nu gaat om het surreële Performance (1970, met Mick Jagger), het poëtische Walkabout (1971), de horrorachtige rouwverwerking in Don’t Look Now (1973) of de wisselende toon van Eureka (1983) en The Witches (1990).
Roegs stijl is visueel en niet-lineair. Kleuren, iconische close-ups en een montage die chronologie opzettelijk doorbreekt, vormen zijn handelsmerk: scènes verschuiven tussen herinnering, droom en heden, geluid en beeld worden op onverwachte momenten gekoppeld. Deze montagetechniek—het herschikken van tijd en ervaring op de montagetafel—diende niet als stijlmiddel alleen, maar als instrument om de innerlijke vervreemding van zijn personages van binnenuit te tonen. Voor Roeg waren films middelen om te “tijdreizen”: terug naar een verleden dat nooit helemaal voorbij is en vooruit naar een toekomst die elk moment kan beginnen.
De film met Bowie weerspiegelt bovendien wat die zanger in zijn publieke persona ook deed: alle aandacht vasthouden maar tegelijk ongrijpbaar blijven. Newton blijft in bijna tweeënhalf uur voornamelijk een buitenstaander en implodeert langzaam. Iconische scènes—zoals de limousine-momenten en een autoscène waarin Newton mensen uit een ander tijdperk ziet—accentueren dat gevoel van onvermogen om de wereld te bevatten.
Jaren later zei Bowie dat hij en Roeg iets bij elkaar herkenden: een neiging om in meerdere werelden tegelijk te leven. Roeg zelf legde in de BBC-documentaire It’s About Time uit waarom cinema hem zo aantrok: films geven richting aan verborgen drama’s en maken het mogelijk om met tijd te spelen—precies die mogelijkheden die zijn films zo ongrijpbaar en onvergetelijk maken.