De vergroening van Dow moest het paradepaardje worden van de Nederlandse industriepolitiek. Het werd een flop
In dit artikel:
In de zomer van 2025 zette de Nederlandse regering een definitief punt achter onderhandelingen met de Amerikaanse chemiegigant Dow over een groot verduurzamingsplan voor de fabriekssite in Terneuzen. Den Haag had een uitzonderlijk pakket van maximaal 3,6 miljard euro klaargelegd om vijftien jaar lang CO₂-afvang en -opslag te subsidiëren en om de aanleg van een zogenoemde ‘groene kraker’ te ondersteunen. Dow heeft daarna zijn plannen naar Canada verplaatst.
Dow produceert sinds 1965 in Terneuzen basischemicaliën (zoals ethyleen, propyleen en benzeen) voor veel uiteenlopende eindproducten. Het complex telt zestien fabrieken en ongeveer 3.200 medewerkers. In 2024 was Dow met ruim 3,3 megaton CO₂ de derde grootste uitstoter van Nederland; daarnaast is het bedrijf verantwoordelijk voor een groot deel van de stikstofoxiden in de chemiesector. Het voorgestelde Path2Zero-programma moest die uitstoot flink terugdringen door methaan-restgassen te converteren naar waterstof en de vrijgekomen CO₂ af te vangen en ondergronds op te slaan. Dow rekende op een reductie van de site-uitstoot van ongeveer 35 procent en presenteerde de hydrogen cracker als tussenstap richting toekomstige elektrificatie.
De overheid, vooral onder kabinet-Rutte IV met minister Rob Jetten en staatssecretaris Micky Adriaansens, zette in op ‘maatwerkafspraken’: financiële en vergunningstechnische steun voor de twintig grootste industriële uitstoters die sneller willen verduurzamen dan het generieke beleid voorschrijft. In december 2022 tekenden betrokken ministers en Dow een principe-akkoord; de intentie was om productie in Nederland te houden en te vergroenen.
De onderhandelingen strandden vooral op een juridisch-technical twistpunt: stikstofoxiden (NOx). Als de krakers worden omgebouwd en op waterstof gaan draaien, gelden zij juridisch als ‘nieuwe installaties’, met een strengere NOx-concentratienorm van 80 mg/m³. In Dows ontwerp zouden lokale concentraties veel hoger uitvallen — naar eigen zeggen technisch noodzakelijk rond de 145 mg/m³ — terwijl een NOx-afvanginstallatie wel mogelijk maar volgens Dow economisch onhaalbaar en zeer duur zou zijn. De regering onderzocht tijdelijke gedoogopties, maar ingehuurde adviseurs en de landsadvocaat constateren aanzienlijke juridische risico’s.
Die juridische kwetsbaarheid kreeg concrete vorm toen de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) de provincie Zeeland voor de rechter sleepte omdat die te soepele uitstootregels aan Dow had verleend. De rechter gaf de ILT gelijk (oktober 2024), en het Hof bevestigde dat oordeel in hoger beroep (april 2026). Dat vonnis ondermijnde in Den Haag de haalbaarheid van uitzonderingen voor Dow. Interne notities wezen erop dat een rechtszaak de hele businesscase kon beëindigen. Uiteindelijk trok minister Sophie Hermans in de zomer van 2025 de stekker uit het project.
De interpretatie van wie schuld draagt, divergeert. Dow wijst in de media naar Brussel en Den Haag: Europa reageert te traag op concurrentie uit China, energieprijzen zijn te hoog en het emissiehandelssysteem maakt industrie duurder. Haagse bronnen zeggen dat het probleem vooral bij Dow zat: plannen die juridisch kwetsbaar, technisch onvoldoende onderbouwd en dicht tegen wat toelaatbaar is ontworpen waren. Ook kritische experts waarschuwen dat ruime subsidies voor CO₂-afvang de stimulans voor echte elektrificatie en grondstoffenverandering kunnen verzwakken; volgens sommige deskundigen zou een geleidelijke elektrificatie per kraakfornuis ook mogelijk zijn en sneller leiden tot diepere verduurzaming.
De zaak legt grotere beleidsvragen bloot. Wat moet ‘maatwerk’ precies betekenen: snelle vermindering van CO₂-uitstoot binnen bestaande fossiele structuren, of een transitie die grondstoffen, lokale gezondheid en milieu sterker meeweegt? Rond Terneuzen spelen gezondheidseffecten en blootstelling aan zeer zorgwekkende stoffen een rol: onderzoek wijst op cumulatieve risico’s en verbanden met lagere geboortegewichten in de regio. Niet alleen CO₂ en NOx, maar ook gevaarlijke stoffen zoals benzeen blijven problematisch; ngo’s zoals ChemSec beoordelen Dow zwak op het tempo van het uitfaseren van schadelijke chemicaliën.
Regionale en internationale vergelijkingen laten zien dat dit dilemma niet uniek is: in Antwerpen werd een nieuwe ethaankraker als innovatie gepresenteerd, maar draait die op Amerikaanse schalie-ethaan; in Zeeland volgen bedrijven vergelijkbare modellen met nadruk op CO₂-opslag en publieke steun zonder fundamentele breuken met fossiele afhankelijkheid. Experts waarschuwen dat Europa terrein verliest aan landen met gerichte investeringspolitiek (vooral China en de VS) en dat grootschalige fabrieksvervanging miljarden kost en tijd nodig heeft.
Kortom: het mislukken van de Dow-deal weerspiegelt een breder spanningsveld tussen industriële concurrentiekracht, juridische handhaafbaarheid, volksgezondheid en de vraag hoe ver een overheid wil meegaan om productie binnen de landsgrenzen te houden. Zonder scherpere keuzes over doelstellingen en acceptatieniveaus zal de uitvoering van vergelijkbare ‘maatwerk’-trajecten moeilijk blijven en kunnen commerciële partijen elders hun kansen gaan zoeken.