De vechthouding van het kabinet-Schoof
In dit artikel:
Het kabinet‑Schoof — een coalitie van PVV, BBB, VVD en NSC die 19 maanden aantrad — liet volgens deskundigen diepe sporen na in de Nederlandse bestuursorde. Wat begon als een politiek spektakel met een politiek gewichtloze premier en opvallend populistische ministers, mondde uit in een slecht onderbouwd regeerakkoord zonder stabiele parlementaire meerderheid. Die beginfout veroorzaakte improvisatie, kortademig bestuur en veel aanvaringen met andere staatsmachten.
In de onlangs verschenen bundel Het experiment‑Schoof onderzoeken meerdere auteurs hoe dat kabinet omging met rechterlijke uitspraken en adviezen van de Raad van State. Hun conclusie: waar het kabinet een herstel van vertrouwen beloofde, reageerde het in de praktijk vooral met negeren, ageren en traineren. Twee wetsvoorstellen werden ondanks zeldzaam zware C‑ en D‑adviezen van de Raad van State toch doorgezet, waarmee grondrechten en rechtsbescherming volgens de auteurs bewust in gevaar werden gebracht. In sommige gevallen vielen ministers de rechtspraak openlijk aan, wat het gezag van rechters aantastte.
Kutsal Yesilkagit analyseert de verhouding tussen het kabinet en de ambtelijke top en signaleert een ongekende kloof. Ministers sloten expertise buiten, omzeilden standaarden en zochten soms bewust de juridische ondergrens op. Ambtelijke adviezen werden genegeerd, herschreven of niet ondertekend; dit leidde tot brandbrieven, lekken, het vertrek van ten minste één topambtenaar en zelfs protestacties van ambtenaren. Yesilkagit spreekt van een erosie van sociale veiligheid en ambtelijk vakmanschap: de gebruikelijke neutraliteit en loyaliteit van de ambtenarij kwam onder zware druk te staan.
Een terugkerend thema is het zwakke rechtsstatelijke leiderschap aan de politieke top. Waar in een gezonde rechtsstaat bewindspersonen de institutionele grenzen bewaken, viel bij Schoof de corrigerende rol vaak toe aan ambtenaren zelf. Populistische, onervaren ministers bleken afkerig van tegenspraak, wat de bestuurlijke verhoudingen blijvend heeft verzwakt.
De langere termijnzorg is duidelijk: deze episode verlaagt de drempel voor toekomstige kabinetten om rechters en adviescolleges publiekelijk te diskwalificeren. Daardoor ontstaat een risico op zelfcensuur bij adviseurs en rechters — minder scherpe kritiek om politiek draagvlak niet te verliezen. De belangrijkste aanbeveling is dat opvolgend kabinetten, zoals het kabinet‑Jetten, actief moeten herstellen: constitutionele beleefdheid naleven, juridische adviezen serieus nemen en bewindspersonen stimuleren institutionele grenzen te respecteren om tegenspraak en rechtsstatelijkheid te beschermen.