De vader van A. is aanhanger van het Iraanse regime: 'Ik ben een soldaat van Ali Khamenei, zei hij'

vrijdag, 3 april 2026 (16:03) - NRC Handelsblad

In dit artikel:

A., 19, groeide op in een streng, pro-regime gezin in Teheran: haar vader is lid van de Islamitische Revolutionaire Garde, het krachtige militaire en politieke apparaat dat de Islamitische Republiek bewaakt. Vanaf jonge leeftijd werd haar leven bepaald door religieuze en politieke gedragsregels — een maghnaeh verplicht vanaf zes jaar, taboe op openheid over menstruatie, ochtendliederen tegen de VS en Israël en huiselijk geweld als straf wanneer zij zich niet precies aan voorschriften hield. Haar vader prees opperste leider Ali Khamenei als de ideale leider en dreigde met repressie als A. zich kritisch uitliet.

Door sporadisch contact met haar moeder en vrijzinnige vrienden ontdekte A. langzaam een andere wereld. Ze las boeken over mensenrechten en de geschiedenis van Iran en besefte dat het dagelijkse geweld thuis en de politieke indoctrinatie niet normaal waren. Haar verzet begon klein — ze verscheurde een foto van ayatollahs uit haar wiskundeboek op school — maar escaleerde na de dood van Mahsa Amini in 2022. Het beeld van Amini in het ziekenhuis schokte haar en vormde de directe aanleiding om mee te doen aan de straatprotesten die dat jaar uitbraken.

Tijdens de protesten werd A. gearresteerd en vastgehouden in een tijdelijk detentiecentrum, samen met ongeveer vijftig vrouwen in een ruimte zonder daglicht. Ze beschrijft nachten vol angst en de vernedering in afzondering, waarbij bewakers haar betastten en haar dwongen een bekentenis op papier te zetten. Na vier dagen mocht ze vrij — waarschijnlijk dankzij de invloed van haar vader bij de Revolutionaire Garde. Thuis werd ze geslagen en publiekelijk vernederd; haar vader dreigde haar en haar moeder met arrestatie door Basij-militieleden. De zinsnede die hij haar zei — dat hij een soldaat van Khamenei was en demonstranten zou oppakken — illustreert hoe privé- en staatsgeweld in haar leven samenvielen.

Uit veiligheidsoverwegingen verbrak A. elk contact met vrienden in Iran; de politie zocht herhaaldelijk haar moeder op, en gesprekken worden cryptisch gevoerd omdat mogelijkerwijs regime-agenten meeluisteren. Ze voelt zich schuldig en bang over het lot van degenen die nog vastzitten: “Ik moet hun stem zijn, omdat zij zich zelf niet kunnen uitspreken,” zegt ze over haar motivatie om haar verhaal buiten Iran te delen.

Toen ze achttien werd, greep ze een kans om het land te ontvluchten: haar moeder organiseerde een vlucht naar Istanbul en bracht haar naar het vliegveld terwijl haar vader op zakenreis was. Via Istanbul kwam ze twee maanden later bij familie in België, waar ze inmiddels ongeveer een jaar woont en wacht op een verblijfsvergunning. In België ervaart ze voor het eerst meer vrijheid — ze heeft een relatie in Nederland en wil een nieuw leven opbouwen — maar haar gedachten blijven bij vrouwen in Iran en bij haar moeder, die nog kwetsbaar is omdat de familiebanden en woonplaats bekend zijn bij haar vader.

De zaak van A. belicht een breder patroon: in Iran is de machtspositie van de Revolutionaire Garde en de Basij verweven met gezinnen, scholen en justitie; religieuze voorschriften worden met geweld gehandhaafd en concurrentie tussen privé- en staatsgeweld maakt verzet gevaarlijk. De protesten rond Mahsa Amini (2022) maakten dit nationaal zichtbaar en leidden tot massale repressie. A.’s verhaal toont hoe persoonlijke rebellie en publieke strijd kunnen samenvallen, maar ook hoe individuele vlucht en veiligheid vaak alleen mogelijk zijn met groot risico voor achterblijvers.

A. hoopt op een vrij Iran, maar vreest de prijs daarvan: ze verbeeldt de toekomst als een “oceaan van bloed” omdat veel families — volgens haar — onherstelbaar geraakt zullen zijn als de onderdrukking ten val komt. Ze gebruikt haar relatieve veiligheid in België om te spreken namens vrouwen die nog altijd geen stem hebben.