'De storm van Balkenende' geeft een fraai tijdsbeeld - al zijn het vooral de anderen die het verhaal inkleuren
In dit artikel:
Jan Peter Balkenende staat voor het eerst sinds zijn vertrek uit de actieve politiek centraal in een tweeluik van Andere Tijden: De storm van Balkenende (NTR), gemaakt door Misha Wessel en Thomas Blom. De documentaire geeft een breed tijdsbeeld van zijn vier kabinetten en biedt soms onthullende, vaak door anderen vertelde inkijkjes in de machtspolitiek rond het CDA — juist omdat Balkenende zelf terughoudend is met anekdotes en zelfkritiek.
Het portret plaatst Balkenende als de klassieke 'derde man': fatsoenlijk, terughoudend en liever buiten de directe conflicten. Een klein detail uit een ouder interview — een vitrinekast met glimmende modelautootjes en familiefoto’s — illustreert die toon van ordelijkheid en afstandelijkheid. Waar eerdere premiers als Lubbers en Kok in soortgelijke portretten nog nadrukkelijk reflecteerden, blijft Balkenende vooral een luisteraar van zijn eigen verhaal; anderen vullen zijn rol en de beslissingen van zijn kabinetten in.
De documentaire toont hoe persoonlijke vetes zijn regeringsperiodes bepaalden. Het eerste kabinet viel al na 87 dagen door onderlinge ruzies binnen de LPF; het tweede strandde na conflicten binnen de VVD en het vertrek van D66; het vierde kabinet liep stuk op het bevroren wantrouwen tussen Maxime Verhagen (CDA) en Wouter Bos (PvdA). Een centraal moment is de controverse rond een vermeend NAVO-verzoek om de missie in Uruzgan te verlengen — Verhagen beschuldigde Bos van liegen, wat kort daarna bijdroeg aan het vallen van Balkenende IV; vijftien jaar later nuanceert Verhagen die aantijging weer. Zulke episodes benadrukken vooral hoe anderen “vuile handen” maakten en hoe politieke strijd personen beschadigt.
De makers belichten ook de strategische keuzes van het CDA tijdens de opkomst van Pim Fortuyn: het partijapparaat zag Fortuyn als een ploeg die de weg vrijmaakte, waarna het CDA kon oogsten — een taktiek waarbij Jack de Vries’ spindoctor-activiteiten en Hans Hillen’s vroegtijdige afspraken een rol speelden. Balkenende zelf wordt neergezet als koppig maar vooral als iemand die zich groot hield; hij steunde bijvoorbeeld het Nederlandse aandeel in de Amerikaanse aanval op Irak in 2003, zonder spijtbetuiging met de kennis van nu.
De kern van De storm van Balkenende is minder een ontmaskering van de oud-premier dan een reconstructie van het smerige politieke spel eromheen: machtspolitiek, cynisme en beschadigde carrières. Balkenende houdt zijn handen schoon en profileert zich als volhardend bestuurder, maar de documentaire maakt helder dat achter die schone handen een turbulente, vaak meedogenloze machinerie opereerde.