De Staat tegen Gideon van Meijeren

maandag, 9 februari 2026 (10:46) - De Andere Krant

In dit artikel:

Tweede Kamerlid Gideon van Meijeren (Forum voor Democratie) vocht hoger beroep aan tegen zijn veroordeling wegens opruiing tot “gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag”. In 2024 legde de rechtbank in Den Haag hem een taakstraf van 200 uur op. Vorige week behandelde het Gerechtshof Den Haag dat hoger beroep; de uitspraak staat gepland op 5 maart.

De strafzaak draait om twee publieke uitlatingen van Van Meijeren uit 2022: een toespraak op een bijeenkomst met boeren over dreigende onteigening, waarin hij sprak over het recht van burgers om in opstand te komen en geweld te gebruiken ter verdediging tegen een tirannieke overheid; en een interview voor het Belgische programma Compleetdenkers, waarin hij hoopte op een ‘fluwelen revolutie’ — een massale, liefst geweldloze bezetting van het parlement — maar waarschuwde dat bij zo’n actie doden kunnen vallen. Het Openbaar Ministerie betoogt dat die woorden opruiing waren en daarmee niet onder de bescherming van vrije meningsuiting vallen.

Centraal in de zitting stonden twee juridische kwesties: wanneer is burgerlijk verzet gerechtvaardigd, en wanneer loopt spreken over verzet over in strafbare aanzet tot geweld? Van Meijeren benadrukte verschillende gradaties van verzet — van passief verzet en demonstraties tot burgerlijke ongehoorzaamheid — en stelde dat hij zelf altijd voor geweldloosheid pleitte en vaak de-escalerend heeft gewerkt, met voorbeelden van bijeenkomsten die zonder zijn aanwezigheid mogelijk uit de hand hadden geloopt. Het OM hield vol dat zijn woorden de “geesten rijp” maakten voor strafbare feiten, en verwees naar anonieme online reacties onder opnamen waarin sprake was van bijval voor geweld. Voor een veroordeling wegens opruiing is volgens de wet ook opzet vereist: moet zijn bedoeling daadwerkelijk gericht zijn geweest op het aanzetten tot strafbare handelingen? Die bewijslast ligt bij het OM.

Van Meijeren voerde daarnaast aan dat het proces politiek gemotiveerd is. Hij wees op openbare uitspraken van toenmalig ministers Yeşilgöz en Kaag die aangaven te hopen dat het OM actie zou ondernemen, en maakte bezwaar tegen de rol van Advocaat-Generaal Floris Holthuis, die namens het OM in hoger beroep optrad. Critici en Van Meijeren zelf wezen erop dat Holthuis eerder op het sociale medium X politieke uitspraken deed die sympathie voor progressieve partijen en openlijke antipathie voor bijvoorbeeld Trump lieten zien, en dat sommige berichten steun voor binnenlandse tegenstand suggereerden. Die uitingen wekten volgens tegenstanders de schijn van partijdigheid en voedden de aanklacht dat hier sprake zou zijn van een politiek geladen vervolging.

De zittingsdag toonde de spanning tussen vrijheid van meningsuiting, politieke representatie en openbare orde: moet een volksvertegenwoordiger ruimte krijgen om zwaarwichtige kritiek op staat en beleid te uiten, of is grensoverschrijdend taalgebruik dat mogelijk tot geweld leidt strafbaar? De rechter vroeg expliciet of het in tijden van maatschappelijke onrust wijs was dergelijke toespraken te houden; Van Meijeren antwoordde dat zijn aanwezigheid vaak averechts werkte op escalatie en dat hij het nodig vond de stem van ontevreden burgers te laten horen. Het hof zal op 5 maart een oordeel vellen over de strafrechtelijke aansprakelijkheid en daarmee impliciet ook over de balans tussen politieke spreekvrijheid en het verbod op oproepen tot geweld.