De sigaret verdient, hoe ongezond ook, een laatste welgemeende ode
In dit artikel:
Joshua Vissers (19 januari 2026) voert een pleidooi voor het cultural-historische belang van de sigaret: ondanks gezondheidswaarschuwingen, rookverboden en hogere accijnzen blijft de peuk een symbool van vrijheid, rebellie en persoonlijke expressie. Aan de hand van een kerstetentje – waarbij een tafelgenoot onthult net bij Philip Morris te werken – schildert hij hoe de sigaret steeds meer naar de marge van de samenleving verdwijnt, maar tegelijk aan betekenis wint.
Beleid en markt: Vissers schetst recente maatregelen (rookvrije horeca, het verbod op geïmproviseerde rookruimtes, het terugdringen van sigarettenverkoop in supermarkten) en constateert dat die effect hebben: minder binnenlandse verkoop en belastingopbrengsten, maar ook toegenomen grensinkoop en alternatieve distributiekanalen. Tegelijk transformeert de markt: vaping en strak vormgegeven alternatieven vullen de culturele ruimte die de traditionele sigaret achterlaat.
Culturele betekenis: de auteur plaatst de sigaret in een lange traditie van symboliek. Reclamecampagnes — met de Marlboro-man als schoolvoorbeeld — verkochten geen product maar een identiteit, en maakten roken tot een teken van mannelijkheid en zelfbeschikking. Kunstenaars als Edvard Munch gebruikten de sigaret om sociale grenzen te overschrijden en zich solidair met lagere klassen te tonen; de sigaret fungeerde dus zowel als teken van verval als als middel van verzet. In de jaren twintig werd roken door vrouwen bewust ingezet als emancipatoir signaal, mede gemanipuleerd door public relations (Edward Bernays) om roken te koppelen aan vrouwelijk onafhankelijkheid. Vissers erkent dat marketing manipulatief was, maar stelt dat de politieke betekenissen daarmee niet geheel verdwijnen: handelingen kunnen simultaan commercieel gemotiveerd en cultureel betekenisvol zijn.
Politiek en maatschappelijk verzet: de sigaret fungeert volgens Vissers soms als protest tegen zowel rechts-paternalistische regelgeving als links-critici van consumptiegerichte prestatiemaatschappij. Rookpauzes kunnen politieke of sociale banden smeden; de peuk kan een kleine, zichtbare weigering zijn van productiviteits- en gezondheidsfetisjisme. Daarmee kan roken zowel een conservatieve vrijheidsclaim als een linkse, anti-optimale levenshouding symboliseren.
De paradox van autonomie: essentieel in Vissers’ betoog is de dubbele aard van de sigaret. De aantrekkingskracht van het verbod vergroot de zeggingskracht van roken: een toenemend taboe kan roken juist spannender en zichtbaarder maken. Tegelijk ondermijnt afhankelijkheid de pretentie van zelfbeschikking: vaak is roken geen autonome keuze maar een verslaving gestuurd door commerciële prikkels en groepsdruk.
Slotanecdote en reflectie: de schrijver eindigt terug bij het kerstdiner, waarin zijn voormalig Shell-collega nu bij Philip Morris werkt — een kleine illustratie van hoe persoonlijke gewetensvragen en carrièrekeuzes samenkomen — en besluit uiteindelijk zelf een rookpauze te nemen. Vissers pleit niet voor vergoelijking van de gezondheidsrisico’s, maar vraagt aandacht voor de verloren culturele laag: de sigaret als symbool, reliek en soms tegenmiddel tegen een allesrechtende gezondheids- en prestatiedrang.
Contextuele aantekening: Vissers’ essay balanceert tussen nostalgie en kritiek. Wie publieke gezondheid centraal stelt zal de risico’s en maatschappelijke kosten van tabak blijven benadrukken; Vissers nodigt uit die discussie te verrijken met oog voor culturele betekenis en de paradoxen van verbod en verlangen.