De schreeuw horen we. Wat we inslikken, ontgaat ons

zaterdag, 6 juni 2026 (00:00) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

Tijdens het Kamerdebat van 26 mei over rechts‑extremistische rellen, brandstichtingen bij asielzoekerscentra en de aanslag op het D66‑partijkantoor waarschuwde premier Jetten niet alleen tegen het fysieke geweld, maar vooral tegen het subtieler zichtbare gevaar: het inslijten van legitimaties voor geweld in gewone zinnen. De auteur trekt die waarschuwing terug naar een oud beeld van Victor Klemperer — woorden als langzaam werkend arsenicum — en naar Geert Maks reflecties na de moord op Theo van Gogh: de taal kan stapje voor stapje normaliseren wat eerder ondenkbaar leek.

De analyse onderscheidt twee opeenvolgende mechanismen die dat proces mogelijk maken. Ten eerste: het normaliseren van uitsluiting en vijandbeelden in het parlementaire debat zelf. Voorbeelden zijn uitspraken van FvD‑leider Lidewij de Vos over wie “echte Nederlanders” zijn en het ontbreken van duidelijke afstand daarvan door andere Kamerleden. Dat soort retoriek staat niet meer aan de rand, maar centraal in de politieke arena, waar het minder snel wordt weggefilterd of genegeerd.

Ten tweede: het verschuiven van een luide, veroordeelde oproep tot geweld naar een verdraagzame nuance die het wél bespreekbaar maakt. Gidi Markuszower riep half mei op geweld tegen Palestijnse asielzoekers te gebruiken; nadat er verontwaardiging volgde, herkende hij zijn woorden niet als oproep tot willekeurig geweld maar herschikte ze in bestuurlijke termen — “marechaussee”, “proportioneel”, “desnoods”. Die herformulering maakte van een kreet iets om over te onderhandelen. Dat politieke spelers daarna nog steeds “professioneel contact” kunnen onderhouden met het kabinet, zo betoogt de auteur, benadrukt hoe makkelijk gewelddadige uitspraken in het normale politieke verkeer kunnen worden opgenomen.

De ramp met gezicht — zoals de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh — produceert herkenbare narratieven: schok, rouw, de frase dat “Nederland zijn onschuld verloor.” Maar de schrijver waarschuwt dat veel gevaarlijker is wat geen duidelijk gezicht heeft: de bijzin, de semantische verschuiving die geleidelijk uitsluit, dehumaniseert en rechten van groepen aantast. Het Nederlandse vocabulaire bevat al woorden die afstand creëren: van ‘asielzoeker’ naar minachtende etiketten als ‘gelukszoeker’, van personen naar beeldspraak als ‘stroom’ of ‘tsunami’. Die administratieve, nette termen dragen geen schreeuw, maar wel werking.

Hieraan koppelt de tekst een institutionele zorg: defragmenteert het fundament waarop de rechtsstaat rust. Historica Beatrice de Graaf wordt aangehaald om te onderstrepen dat de rechtsstaat geen natuurverschijnsel is maar een geconstrueerde praktijk die kwetsbaar is in tijden van dreiging. Als het monopoliekarakter van staatsgeweld — de afspraak dat alleen de staat geweld mag gebruiken en iedereen gelijk beschermt — ondergraven raakt door retoriek die bepaalde groepen uitsluit, dan verliest het staatsgezag zijn morele basis.

De auteur sluit met een persoonlijke noot: wie heeft gezien hoe samenlevingen langzaam ontbinden, herkent dat het nooit begint met het wapen, maar met taal. Democratieën kunnen niet abrupt in autoritarisme veranderen, maar vervallen zin voor zin, bijzin voor bijzin, totdat niemand meer het precieze keerpunt kan aanwijzen. De oproep is impliciet: let op de woordkeuze, ook op de ogenschijnlijk onschuldigste nuances; censuur alleen is niet het antwoord, maar het bewust verdedigen van de gelijkheid en het taalgebruik dat die gelijkheid bevestigt, is dat wel.