'De rol van zwarte christenen bij de afschaffing van slavernij wordt over het hoofd gezien'

dinsdag, 17 maart 2026 (17:49) - Trouw

In dit artikel:

Historicus en theoloog Martijn Stoutjesdijk (Protestantse Theologische Universiteit, Utrecht) betoogt in zijn nieuwe boek Gods slaafgemaakten dat de relatie tussen christendom en slavernij complexer is dan vaak wordt voorgesteld: de Bijbel diende zowel als rechtvaardiging voor slavenhandel en koloniale uitbuiting als bron van verzet en emancipatie voor tot slaaf gemaakten en abolitionisten. De studie bestrijkt een ruime tijdsruimte — van de Hebreeuwse Bijbel en het Nieuwe Testament, via de vroegchristelijke kerk, naar de Nederlandse koloniale wereld — en verbindt Jeruzalem, Amsterdam en Paramaribo als stadia in die geschiedenis.

Stoutjesdijk laat zien hoe invloedrijke theologen en kerkelijke elites in de vroegmoderne Republiek bijdroegen aan de ideologische rechtvaardiging van slavernij. Figuren als Godefridus Udemans legitimeerden handel in en bezit van mensen door bijbelse teksten en oudtestamentische wetten te citeren, en kerkelijke bestuurders stonden vaak in nauwe verhouding tot de leiding van handelscompagnieën (VOC, WIC). Predikanten en kerkelijke ouderlingen waren soms direct betrokken bij koloniale bestuurstructuren en economisch gewin; in sommige kolonies waren gouverneurs ook voorzitters van kerkenraden en hadden predikanten slaafgemaakten in bezit.

Tegelijk benadrukt Stoutjesdijk dat juist orthodoxe en bevindelijk-gereformeerde theologen ook vroeg kritiek uitspraken op slavernij. Bernardus Smytegelt bijvoorbeeld veroordeelde de handel in mensen als een schending van het achtste gebod. Even belangrijk waren de stemmen van zwarte christenen zelf: hun geloofspraktijken en bijbelse interpretaties ondergroeven racistische vooronderstellingen dat Afrikaanse mensen geen echte christenen konden zijn. Als voorbeeld noemt Stoutjesdijk Isabella, vermoedelijk de eerste tot slaaf gemaakte die in Suriname (1721) werd gedoopt; zij gebruikte bijbelverhalen om haar recht op doop en haar kritiek op de hypocrisie van witte christenen te onderbouwen. Later, in de negentiende eeuw, verwees onder anderen Johannes King uit Suriname naar Exodus om de positie van tot slaaf gemaakten te koppelen aan het bevrijdingsverhaal.

Volgens Stoutjesdijk is het belangrijk deze tegenstemmen te benadrukken: wie het christendom uitsluitend als instrument van witte overheersing beschouwt, miskent de religieuze agentialiteit van zwarte christenen en van abolitionistische bewegingen die juist uit Bijbelse inspiratie streden tegen slavernij. Veranderingen in het christelijke denken over slavernij werden bovendien bevorderd door factoren als de Verlichting, nieuwe bijbeluitleg en de groei van zwarte kerkgemeenschappen.

Het boek van Stoutjesdijk (Gods slaafgemaakten. Hoe het christendom slavernij verdedigde en veroordeelde, KokBoekencentrum) wil de pluriformiteit van de Bijbel en de historische meerstemmigheid van het christendom zichtbaar maken: niet alleen als legende van onderdrukking, maar ook als bron van weerstand en morele verontwaardiging tegen koloniale uitbuiting.