De rehabilitatie van een popicoon
In dit artikel:
De film Michael van Antoine Fuqua, met Jaafar Jackson — neef en zoon van Jermaine — in de rol van zijn beroemde oom, is een lofzang op het creatieve genie dat popmuziek, videoclips en podiumshows herdefinieerde. Fuqua beeldt overtuigend de beginjaren af: het strenge gezin in Gary, Indiana met vader Joe als harde leermeester, de ontmoetingen met Quincy Jones en de opbloei tot supersterren met albums als Off the Wall en vooral Thriller. Scènes van repetitie, transformatie en publiek succes roepen nostalgie op en tonen hoe Jackson uitgroeide tot een culturele revolutie.
Maar de film kiest bewust voor een beperkte vertelboog: hij stopt abrupt na de Bad-tour (1988) en besteedt geen aandacht aan de donkere, later levensjaren. Beschuldigingen van kindermisbruik, de mediastorm, de slepende rechtszaken na Dangerous (1992), zijn matige muzikale periode na Invincible (2001), en de uiteindelijke fysieke en mentale uitputting die leidde tot zijn dood in 2009 aan een overdosis propofol worden weggelaten. Ook de rol van zijn persoonlijke arts, Conrad Murray — later veroordeeld voor ernstige nalatigheid — en de voorbereidingen op de comeback This Is It krijgen geen plek. Daarmee functioneert Michael eerder als postume zuivering van het imago dan als volledige biografie; de Jackson Estate zat als medeverantwoordelijke aan de productietafel, wat de selectie van gebeurtenissen verklaart.
Die keuze roept bredere vragen op over beeldvorming: wie mag een verhaal sturen en hoe snel mediabeschuldigingen iemands reputatie onherstelbaar schaden, nog vóór juridische feiten zijn vastgesteld. De recensie plaatst Jacksons schrijnende persoonlijke lot naast andere gevallen waarin publieke veroordeling en mythevorming samenkomen. De kritiek is dat de film het genie terecht viert, maar nalaat te tonen hoe publiek en pers dezelfde man die tot mythische hoogten werd verheven, later mede hebben vernietigd — precies die tragische nasleep had volgens de criticus het verhaal compleet gemaakt.