De rechtse stickers weg, Che Guevara blijft zitten
In dit artikel:
Als kind maakte de auteur vaak een hakenkruis tot onschadelijk huisje; die vroegere fascinatie voor verboden symbolen heeft plaatsgemaakt voor een oplettende blik voor politieke bekladderij op straat. In Amsterdam merkt hij een duidelijke toename van extreemrechtse stickers — Prinsenvlaggen, doorgehaalde regenboogvlaggen en white‑powertekens — al stelt columnist Sander Schimmelpenninck dat het belangrijkste probleem is waarom zulke boodschappen niet binnen 24 uur worden verwijderd. De schrijver zelf ruimt die rommel wél op, links‑radicale stickers laat hij intact.
Halverwege december trof hij circa twintig extreemrechtse stickers op de ramen van het UvA‑pand waar hij kantoor houdt. Terwijl hij die wegkrabde kwam twee jonge mannen, vermoedelijk linkse studenten, geruisloos helpen. De stilte tijdens het werk voelde al snel plechtig en ongemakkelijk; om de spanning te doorbreken maakte hij een licht moraliserend grapje dat raamstickers niet horen. Achteraf ergerde hij zich aan die reflex om iets te zeggen en vroeg zich af hoe hij op de twee helpers moet zijn overgekomen — zijn nette uiterlijk wekte bij zichzelf even de angst dat hij als FvD‑type gezien kon worden.
De tekst onderzoekt dus twee dingen tegelijk: de groeiende zichtbaarheid van extreemrechts straatprotest in een toegespitste Amsterdamse context, en de persoonlijke twijfel over hoe je als burger en activist het beste reageert — stil meedoen, direct handelen, of je ongemakkelijke reflexen verbergen.