'De politieke kleuren van mijn opa en zijn neef lagen ver uit elkaar, maar ze waren allebei oorlogshelden'
In dit artikel:
Paroollezer Michiel Brongers beschrijft hoe twee mannen met vrijwel dezelfde naam uit zijn familie allebei tijdens de Tweede Wereldoorlog in verzet kwamen, ondanks een groot politiek verschil. Zijn opa, Herman Coenradi, was een vroom Oranjegezinde man die betrokken was bij De Oranjewacht. Kort na de oprichting werd die groep in 1940 opgerold; zijn opa belandde eerst in het Scheveningse Oranjehotel en daarna in meerdere concentratie- en doorgangskampen. Tijdens transporten ontfermde hij zich onder meer over de jonge Max Moszkowicz; zij reisden samen met Peter van Pels, die later bekend zou worden als een medebewoner van het Achterhuis van Anne Frank. Brongers’ moeder werd in 1946 als bevrijdingskind geboren, waardoor hij zijn leven — en zijn tweede voornaam — deels aan die overleving toeschrijft.
De andere Herman, Hermanus Coenradi, was zijn neef en aan de andere kant van het politieke spectrum: een vurige communist die meehielp de Februaristaking te organiseren bij vliegtuigfabriek Fokker. Hij werd gefusilleerd op de Waalsdorpervlakte en is één van de achttien genoemd in Jan Camperts gedicht Het lied der achttien doden. Brongers ontdekte pas later dat de Hermanus Coenradistraat in Nieuw-West naar deze neef is vernoemd; aanvankelijk dacht hij dat de straat aan zijn opa was gewijd.
In zijn brief reflecteert Brongers op trots, erfgoed en trauma: heldendaden zijn niet erfelijk, en oorlogstrauma raakt de volgende generaties slechts indirect. Wat hem vooral bijblijft is de gelijkenis in moed — twee familieleden die, onafhankelijk van hun politieke overtuigingen, opstonden tegen onrecht. Bij de herdenking van de Februaristaking op het Jonas Daniël Meijerplein, ter gelegenheid van de 85ste herdenking, denkt hij aan beide Hermans en vraagt hij zich stil af wat zij vandaag de dag zouden hebben gedaan.