De ondraaglijke lafheid van Lubach-links
In dit artikel:
Arjen Lubach heeft in recente uitzendingen steeds scherper kritiek geuit op Israël, maar volgens de schrijver blijft zijn analyse te voorzichtig en onvolledig. Waar Lubach in oktober 2023 nog een afstandelijke “geschiedenisles” gaf over het Israëlisch-Palestijns vraagstuk en zichzelf zo formeel neutraal opstelde, schoof hij in september 2025 iets op en erkende hij dat Nederland moest nadenken over zijn houding tegenover Israël. Pas in een aflevering vorige week maakte Lubach echter expliciet de kolonisatie van de Westelijke Jordaanoever tot onderwerp; daarin schetst hij hoe na 1967 nederzettingen explosief groeiden en beschrijft hij praktijken die door hemzelf als apartheid worden aangeduid: checkpoints, belemmerde watervoorziening en grootschalige repressie van Palestijnen. Lubach roept op tot erkenning van Palestina en pleit dat Nederland zich minder star opstel tegenover Israël.
De schrijver prijst dat Lubach eindelijk stelling neemt, maar hekelt tegelijk het gemis aan scherpere analyse: volgens hem presenteert Lubach kolonisatie als een losstaand probleem, terwijl die juist fundamenteel verbonden is met het zionistische project en de vorming van een etnostaat. De auteur stelt dat Israël geen ooit-geziene “vriend” is die je met een berisping weer op het rechte pad zet, maar een koloniale machtsstructuur die systematisch onderdrukking en ontneming van rechten produceert — een geschiedenis die volgens de schrijver ook verweven is met Europese koloniale praktijken. Lubach wordt verweten dat hij wel snel en stelliger optreedt in campagnes tegen katten, coaches of Facebook, maar lange tijd terughoudend was om harde kritiek te uiten bij wat de schrijver als genocide en annexatie bestempelt.
Als alternatief voor louter morele veroordeling pleit de tekst voor concrete politieke actie: erkenning van Palestina door Nederland is een eerste stap, maar onvoldoende; er moet ook gesproken worden over boycot, desinvestering en sancties (BDS). De BDS-campagne, gestart in 2005 door Palestijnse maatschappelijke organisaties, vraagt drie zaken: einde aan kolonisatie en de muur, erkenning van gelijke rechten voor Arabisch-Palestijnse burgers van Israël, en het recht op terugkeer voor Palestijnse vluchtelingen. De auteur ziet BDS als geweldloos verzet en als noodzakelijk politiek instrument waar links niet omheen kan.
Op lokaal niveau ziet de schrijver kansen in Amsterdam: een coalitie voor een Amsterdams Palestina-referendum haalde snel de eerste 1.000 handtekeningen binnen; de volgende ronde vereist 10.000 handtekeningen om een raadgevend referendum mogelijk te maken over een boycot van Israël. Als Amsterdam voorstelt te steunen, wordt de druk op partijen als GroenLinks-PvdA en D66 groter om kleur te bekennen. De schrijver wijst erop dat GroenLinks in 2019 nog een BDS-motie aannam, maar dat een vergelijkbare motie in 2025 door de fusie GroenLinks-PvdA werd verworpen; dat gebrek aan consequente rugdekking ziet hij als bewijs van lafheid bij het progressieve midden.
De uiteindelijke oproep is tweeledig: politici moeten openlijk kolonisatie en apartheid benoemen en daarop actie ondernemen; progressief Nederland zou zich moeten scharen achter geweldloze drukmiddelen zoals BDS. Tegelijk waarschuwt de auteur dat ontwennen van economische en culturele bindingen met Israël — “het ontvrienden van de kolonisator” — ook betekent kritisch kijken naar eigen belangen, zoals investeringen vanuit de Amsterdamse Zuidas en commerciële relaties (bijvoorbeeld toerisme naar nederzettingen). Lubach wordt tot slot opgeroepen hetzelfde morele lef te tonen in zijn kritiek op Israël als hij eerder toonde in andere actionele onderwerpen, in plaats van vooral de rol van hofnar voor liberaal links te vervullen.