De ombudsman houdt redacties scherp: 'Geef je fouten toe, anders onderschat je je publiek'
In dit artikel:
Journalisten en hun redacties staan steeds vaker onder vuur om keuzes in berichtgeving. Om deze keuzes uit te leggen en klachten te behandelen, hebben kranten en omroepen ombudsmannen aangesteld. In dit artikel spreken de ombudsmannen Wybo Algra (Trouw), Fons Elbersen (De Limburger), Margo Smit (publieke omroepen) en Wilma Haan (adjunct-hoofdredacteur NOS Nieuws) over hoe zij die rol invullen, welke grenzen en mogelijkheden er zijn, en wat recentelijk speelde.
De recente vertrekkende ombudsman van NRC, Herman Staal, illustreert hoe belastend de functie kan zijn: hij stopte na fouten rond de berichtgeving over informateur Hans Wijers en noemde het solistische karakter van de positie een van de redenen. NRC zoekt nog een opvolger. Andere media bouwden juist statutaire waarborgen in: Algra bij Trouw en Elbersen bij De Limburger beschikken over formele afstand tot de hoofdredactie (Elbersen is zelfs volledig extern), waardoor zij niet eenzijdig kunnen worden weggestuurd. Volgens beide mannen betekent zo’n juridische bescherming niet dat ze los staan van de redactie; een professionele werkrelatie en wederzijds vertrouwen blijven cruciaal.
Beide ombudsmannen benadrukken dat hun taak niet primair is om elke week scherp te bekritiseren. Elbersen ziet zichzelf vooral als brug tussen lezers en redactie: hij houdt een spiegel voor maar wil niet journalisten richting geven. Algra wil eerder onderzoeken dan veroordelen en zet lezers, betrokken redacteuren en soms externe experts bij elkaar om een dialoog en begrip te stimuleren. Ook Smit benadrukt dat veel werk van ombudsmannen bestaat uit het uitleggen van journalistieke afwegingen aan het publiek: waar leken gaten zien, kan zij context en werkwijze bieden.
Bij de publieke omroep en de NOS is er een tendens om zelf explicieter verantwoording af te leggen. Haan publiceert regelmatig stukken over ‘journalistieke verantwoording’ om keuzes bij breaking news of moeilijke onderwerpen uit te leggen. In één uitzonderlijk geval verdedigde de NOS zich publiekelijk toen politicus Mona Keijzer de omroep aanviel — dat ging zowel om transparantie richting publiek als solidariteit met de redactie.
Een terugkerend thema is wat de journalistieke gedragscode wel en niet dekt. De code behandelt transparantie, bronvermelding en hoor en wederhoor, maar zegt niets expliciet over discriminatie. Dat beperkt wat ombudsmannen formeel kunnen oordelen over bijvoorbeeld omroepen die polariserende of racistische termen gebruiken; ze kunnen wel wijzen op historische of morele context, maar vaak beperken ze zich tot analyseren en beschrijven van redactiekeuzes tenzij er een aantoonbare code-overtreding is.
De berichtgeving over Gaza illustreert hoe zwaar en complex publiekskritiek kan zijn. Smit en Haan kregen veel e-mails van beide kanten van het publieke debat. De NOS erkende bijvoorbeeld fouten bij toeschrijving van een explosie bij een ziekenhuis en houdt vast aan een terughoudende redactionele lijn rond het woord ‘genocide’, omdat dat volgens de NOS primair een juridische term is die normaliter pas na een internationale uitspraak formeel vastgesteld wordt. Tegelijk signaleerde Haan dat er in 2025 een kentering zichtbaar werd in aard en schaal van de gebeurtenissen in Gaza, en dat die nuance in de berichtgeving en in publieksverwachtingen speelt. Smit onderzocht juist de inconsistentie in hoe samenlevingen het woord ‘genocide’ gebruiken zonder juridische veroordeling en plaatste zo de journalistieke discussie in historisch perspectief.
Alle geïnterviewden constateren dat het publiek mondiger is geworden en meer transparantie eist — iets wat ze toejuichen, maar dat ook nieuwe vragen oproept. Transparantie vergroot doorgaans vertrouwen, maar maakt redacties ook kwetsbaarder omdat fouten en afwegingen zichtbaar worden. Hun conclusie: niet wegduiken maar eerlijk uitleggen hoe fouten zijn ontstaan, waarom keuzes zijn gemaakt en wat er wordt verbeterd, is de beste weg om geloofwaardigheid te herstellen en het publieke gesprek te voeden.